Internet verandert Nederlandse economie
Gepubliceerd: Woensdag 20 april 2011
Auteur: Peter Olsthoorn
De online economie draagt direct meetbaar 24,3 miljard euro per jaar bij aan het bruto nationaal product (bbp) van Nederland. Dat is minder dan vijf procent van het totaal.
Dat is de belangrijkste uitkomst van het onderzoek 'Interned, hoe het internet de Nederlandse economie verandert', vervaardigd door De Amsterdamse vestiging van de Boston Consulting Group in opdracht van Google, dat zojuist in Nieuwspoort in Den Haag is gepresenteerd.
Lager dan Engeland en Zweden
De 'interneteconomie' bestaat voor de helft uit online aankopen van consumenten. Naast die 12 miljard komt de andere helft van bedrijfs- en overheidsinvesteringen en export die BCG samen becijfert op eveneens 12 miljard: ruim 7 miljard aan investeringen in bijvoorbeeld infrastructuur door telecombedrijven, 4,6 overheidsinvesteringen en 500 miljoen aan netto export (9,7 miljard export tegen 9,2 miljard import).
Het percentage van 4,3 procent van Nederland ligt lager dan van Engeland (7,2 procent) en Zweden (6,6 procent). Dat is te wijten aan het gemiddeld lage bedrag, 1.500 euro per jaar, dat Nederlandse consumenten online bestellen. In 2015 zal dat percentage in Nederland 5,9 procent zijn (41 miljard euro), en bij voortvarende groei 6,8 procent (47 miljard). Online consumptie verdubbelt ruimschoots binnen vijf jaar, naar 25 tot 30 miljard euro.
Indirecte bijdragen
Indirect draagt internet nog voor 8 miljard bij aan het BBP door offline aankopen met online oriëntatie vooraf. Gratis toegang tot informatie is ook zo'n voordeel volgens BCG: van de top 50 bezochte sites is 90 procent Nederlands. Internet biedt werk aan zo'n 110.000 personen die 30 miljard omzet genereren. MKB-bedrijven die online actief zijn genereerden afgelopen jaren 3 procent groei, offline bedrijven geen groei. Of er ook een oorzakelijk verband is, kan niet worden vastgesteld.
Een groot aantal andere indirecte belangrijke bijdragen aan de economie in de vorm van bijvoorbeeld efficiencywinst bankieren, inkopen, wordt wel genoemd en kwalitatief beschreven, soms vaag gekwantificeerd uit andere onderzoek, maar is niet gekwantificeerd in de vorm van bijdragen aan de economie. In de inleiding zegt BCG wel: "In dit rapport kwantificeren we ondermeer de bijdrage van het internet aan de Nederlandse economie."
Beperkingen van het onderzoek
Volgens Marty Smits, algemeen directeur van, en partner in BCG, heeft zijn bureau het benoemen van bijdragen zoals productiviteits- en efficiencywinst om de volgende redenen nagelaten: "We hebben het bewust beperkt vanwege de internationale vergelijkbaarheid. Met de directe bijdragen zoals e-commerce kun je landen gaan vergelijken en ook iets zeggen over de positie van landen ten opzichte van elkaar en de potentie van, in dit geval, Nederland. Ook kun je vele andere effecten van internet die we aanstippen in de ringen rondom de directe bijdragen aan het BBP effecten niet toerekenen aan het bbp."
BCG stelt dat LinkedIn en Cisco hun Europese hoofdkantoor in Amsterdam vestigden vanwege de nabijheid van het Ams-IX knooppunt. De bron daarvoor is Ams-IX zelf, zo zegt Smits. "Natuurlijk spelen ook andere factoren een rol."
Geen negatieve invloeden
BCG noemt behalve criminaliteit en angst ervoor geen negatieve invloeden van internet, zoals wellicht tijdverlies door twitteren, facebooken, veel frequenter e-mail dan noodzakelijk of tweedehands handel die de aankoop van nieuwe producten remt. De omvang van Marktplaats is overigens niet meegerekend, want onbekend volgens BCG. Smits vindt het wat overdreven om genoemde diensten een eventueel negatieve invloed toe te dichten: "Twitter wordt ook gebruikt door bedrijven voor ondermeer marketing. En er is nooit een negatief effect op de consumentenbestedingen aangetoond van tweedehands online handel. Voor een deel is dat ook vervanging van ruilhandel die er altijd al was."
Vijfde plaats
BCG hanteert ook eigen maatstaven voor een internationale vergelijking, samengebald in de 'e-Intensity Index'. Nederland zou daarin volgens BCG vijfde staan na Denemarken, Zuid-Korea, Japan en Zweden. Nederland, meent BCG, is sterk in beschikbaarheid van internet (vierde) en betrokkenheid (derde), maar staat lager met bestedingen (achtste). Voor behoud van die vijfde plek moet Nederland volgens BCG wel blijven investeren in glasvezel naar woningen en mobiel breedband. Zo is Flevoland de beste online provincie dankzij veel glasvezel.
Opdrachtgever Google komt in het verhaal niet voor. Voor Google Nederland is het onderzoek belangrijk om het potentieel voor de Nederlandse economie aan te tonen, vooral voor het midden- en kleinbedrijf. Immers, volgens BCG doen Nederlandse bedrijven te weinig met internet qua inkoop, marketing en verkoop. 'Slechts'37 procent van de bedrijven koopt online in, en 22 procent verkoopt via het net. Loopt het bedrijfsleven haar 'achterstand' in, dan gaat het gepaard met meer online reclame en daarvan leeft Google.
In die zin was het belangrijk dat voor de persconferentie Alexander Rinnooy Kan (Raad van Advies ECP-EPN), Michael van Straalen (MKB Nederland) en Wijnand Jongen (Thuiswinkel.org) waren uitgenodigd om hun visie op de resultaten te geven en de kansen te bespreken die bedrijven volgens de voorzet van BCG en Google nog onbenut laten.
