Burton houdt sinds begin van dit jaar een lijst bij aan de hand van 27 criteria waaraan virtualisatiesoftware moet voldoen om volledig geschikt te zijn voor alle zakelijke omgevingen. Van de drie groten (VMware, XenServer en Hyper-V) haalde alleen VMware vanaf het begin de volle pond. XenServer kreeg het groene licht in juli met versie 5.5. De criteria waaraan de producten moeten voldoen zijn onder andere hoogbeschikbaarheid en live-migratie.

Met Windows Server 2008 R2 slaat Microsoft een grote slag in het verder uitbreiden van Hyper-V. Zo is onder andere Live-Migration een cruciale toevoeging. Sinds vorige week is deze nieuwe versie van de hypervisor als download beschikbaar. Daarmee komt de MS-hypervisor dichter in de buurt van VMware, maar het is er nog niet.

Maar ook deze schiet nog tekort ten opzichte van VMware, zo zeggen analisten Richard Jones en Chris Wolf tijdens zijn lezing op VMworld. Volgens Burton gaat het nog om drie punten: de mogelijkheid om herstarts van bepaalde VM's voorang te geven boven die van anderen, ondersteuning van tenminste twee vCPU's per guest en een fouttolerante beheerserver. Het eerste punt doet ertoe omdat VM's afhankelijk kunnen zijn van elkaar, het tweede punt geldt alleen voor 'oudere' guest-OS'en (Windows Server 2003 en ouder), en het derde punt wil zeggen dat beheerplatform System Center Virtual Machine Manager niet op een cluster gedraaid kan worden.

Daarbij merken de twee wel op dat deze functies voor lang niet alle omgevingen relevant zijn. Ook doet Hyper-V het beter dan Citrix als het gaat om de niet direct noodzakelijke, maar wel fijne functies. Van de 42 die Burton op een rijtje heeft gezet, mist Hyper-V er veertien. XenServer mist er drie meer. VMware mist er slechts zeven.

Maar er is een ding waar VMware het onderspit delft ten opzichte van zowel Hyper-V als XenServer: ondersteuning van virtuele schijven, dat voortvloeit uit de weigering van VMware om andere hypervisors te ondersteunen. Bron: Techworld