De editor vim kan in client-servermodus werken. Eén vim-proces draait dan als server en voert opdrachten uit die het van clients ontvangt, zoals het openen van bestanden en allerlei andere vim-commando's. De clients zijn andere vim-processen die de opdrachten sturen. De client-servermodus is enkel beschikbaar als vim met de optie +clientserver gecompileerd is, wat je met het volgende commando verifieert:

$ vim --version | grep +clientserver

Start nu een vim-proces als server op:

$ vim --servername EXAMPLE

Hierin is EXAMPLE de naam die je aan je serverproces geeft. Je krijgt nu het venster van vim te zien zoals wanneer je het programma normaal opstart en kunt beginnen bestanden te bewerken.

Het is mogelijk om meerdere vim-servers tegelijk te draaien door ze elk een andere naam te geven. Met het volgende commando vraag je een lijst op van alle servers die draaien:

$ vim --serverlist

Zolang je vim-server draait, kun je nu met de volgende opdracht een bestand in het venster van die server openen:

$ vim --servername EXAMPLE --remote foobar.txt

Als je het bestand in een afzonderlijk tabblad wil openen, gebruik je --remote-tab in plaats van --remote.

Je kunt ook willekeurige toetsindrukken aan een vim-server doorsturen, bijvoorbeeld:

$ vim --servername EXAMPLE --remote-send ' :wqa '

Hiermee vraag je aan de server EXAMPLE om alle open bestanden te schrijven en zichzelf af te sluiten (waarna de server natuurlijk niet meer naar opdrachten kan luisteren). De optie --remote-send laat ook toe om speciale tekens in te geven, zoals hier voor enter. De opeenvolging van CTRL-\ CTRL-N zorgt ervoor dat vim naar zijn normale modus overschakelt, zoals met Esc maar dan zonder een bieptoon te laten horen. Al met al is de client-servermodus van vim ideaal om bepaalde taken te scripten of om te voorkomen dat je talloze vim-processen hebt openstaan.