Het genoom, de DNA code, is te beschouwen als een computer. Het bevat een veelvoud aan genen die als afzonderlijke routines hun werk doen. De eiwitten die op basis van de DNA code worden geproduceerd, kunnen onderling samenwerken en het organisme laten functioneren. Een computerprogramma bestaat ook uit routines die samenwerken en daarmee laat het de computer functioneren.

De Yale onderzoekers hebben in hun studie de opbouw van de routines in de E. Coli bacterie vergeleken met de opbouw van routines in het Linux-besturingssysteem. Die vergelijking laat duidelijke verschillen zien, en die verschillen verklaren waarom een bacterie niet crasht.

De E. Coli bacterie heeft zijn routines op een heel andere manier ingedeeld dan het Linux-systeem. De E. Coli kent een paar basisroutines die een heleboel andere specifieke routines aansturen. Deze specifieke routines hebben ieder hun eigen taak en opereren onafhankelijk van elkaar. Hierbij kan een gelijkwaardige routine meerdere malen voorkomen. Het gevolg daarvan is dat een fout in de ene routine niet hoeft te leiden tot een cascade van fouten in andere routines.

Het Linux-systeem kent een heleboel basisroutines die een kleiner aantal specifieke routines aansturen. Een fout in een routine in het Linux-systeem leidt al snel tot het voortplanten van de fout in andere routines. Door de wens van de programmeurs om routines zoveel mogelijk te hergebruiken en geen twee routines hetzelfde werk te laten doen, creëren ze dus zelf het risico op een crash. De E. Coli heeft misschien niet zo'n efficiënte opbouw van routines, maar de bacterie is een stuk stabieler dan Linux.

Bron: Techworld