Het oude desktopmodel staat eindelijk op het punt om de geest te geven. En nee, ik geloof niet heilig in Chrome OS of in desktops in de cloud. Ik denk dat uit de cloud een paar geweldige internet appliances voort kunnen komen, maar geen volledig business computing model. Ik heb het hier over de vele variaties aan desktopvirtualisatie. En daarvoor zijn in 2010 de tekenen gunstig.

Op de server

Ik hoef niet te zeggen dat zakelijke desktop-pc’s vandaag de dag bijna niet te beheren zijn. Het zijn stuk voor stuk mooi binnenkomers voor goed georganiseerde criminelen, dus de beheerder is altijd bezig met het installeren van de allerlaatste patches. En dan nog moet je er als beheerder maar op vertrouwen dat de gebruikers geen domme fouten maken. Daarnaast moet de admin bij upgrades en configuratieveranderingen van sommige programma’s nog steeds op elke computer apart dezelfde aanpassingen doorvoeren, wat zo ongeveer de meest zinloze tijdverspilling oplevert die je maar kunt bedenken.

Maar met desktopvirtualisatie komt de desktop op de server te staan, en daardoor krijg je ineens de kans om elke desktop echt goed te beveiligen. Bovendien betekent het dat je alle veranderingen aan kunt brengen aan de serverkant, waardoor je nooit meer langs de desktops hoeft. Dat levert een boel tijd- en geldwinst op.

Twee uitersten

Maar tot nu toe had desktopvirtualisatie te kampen met twee uitersten die nauwelijks te verenigen waren. Aan de ene kant heb je het aloude Microsoft Terminal Services, waarbij verschillende gebruikers via thin clients in feite dezelfde Windows-omgeving delen, en waarbij gebruikers op hun desktops niets zelf in kunnen stellen. Het is goedkoper in de aanschaf en efficiënt als het om hardware en netwerk gaat, maar bij deze variant is het wel een vereiste dat alle gebruikers ongeveer hetzelfde werk doen, anders hebben ze allemaal toch een andere desktop nodig.

Het andere uiterste is VDI (Virtual Desktop Infrastructure). Daarbij gaat het om individuele Windows instances, die op een centrale server staan. Dus gebruikers hebben daarbij in feite dezelfde ervaring als ze zouden hebben op een lokale Windows pc, maar dan op een thin client. Maar zoals je al zou verwachten, slurpt dit bandbreedte, en je hebt stevige servers nodig om zulke Windows desktops af te kunnen leveren. Er zijn dan ook nogal wat vroege gebruikers teleurgesteld geraakt in de kosten die deze vorm van virtualisatie met zich meebrengt. De voorspellingen dat deze vorm een gouden toekomst tegemoet gaat, zijn dan ook nog niet uitgekomen.

Gulden middenweg

Maar 2010 lijkt het jaar te worden van de gulden middenweg. Desktopvirtualisatie schuift steeds meer op naar een client-server model, waarbij een aantal delen van de desktopomgeving lokaal worden gehouden, terwijl andere afgeleverd worden door de server. In een aantal gevallen kunnen applicaties gestreamd worden naar de client, waardoor er geen vertraging optreedt. Maar het spannendste is het idee van meerdere virtuele machines op de desktop client zelf, zoals met Citrix XenDesktop 4 kan. Daarbij maakt een virtuele machine op de client verbinding met het netwerk, en die VM bevat dan alle applicaties die door IT beveiligd moeten worden. De rest van de client kan geconfigureerd en onderhouden worden door de gebruiker zelf.

Dat betekent dat, in sommige organisaties, de gebruikers zelf hun eigen desktop kunnen onderhouden (soms zelfs aanschaffen), en dat ze daarop een VM draaien die alles bevat wat ze nodig hebben voor hun werk. De IT-afdeling hoeft zich geen zorgen meer te maken over wat er allemaal op die client gebeurt, omdat het werk op ‘hun’ VM gebeurt. Applicaties op de client kunnen daar niet bij, net zo min als eventuele malware op de computer.

In de zakelijke IT gaan we niet over één nacht ijs, dus ik zeg niet dat iedereen dit jaar direct aan de desktopvirtualisatie zal gaan. Maar toch is alles aanwezig voor de overgang, en het zou me verbazen als dit jaar niet alvast een groot aantal grote klanten de stap zal wagen.

Bron: Techworld