De wereld gaat aan ict ten onder. De sector is zwarter dan de Golf van Mexico. Onze kinderen worden zo'n beetje met stoflong geboren. Malariamug en tseetseevlieg geselen de Utrechtse Heuvelrug. Zelfs de luchtvaart die altijd zo enorm zijn best heeft gedaan, kan het allemaal niet bijbenen.

Gelukkig hebben we een redder in nood, het land dat ons altijd uit de problemen helpt, die eenheid in het rijke Westen ramt alsof het niets is. Die van aanpakken houdt, en ons eindelijk een standaard biedt waar iedere intensieve server-veehouderij het geel, maar vooral groen van in zijn broek doet. Die zijn machtige Environmental Protection Agency (EPA) inzet om met echte maatregelen een doorbraak te forceren in in ieder geval een geco├Ârdineerde poging om dit probleem op te lossen.

Was het maar zo'n feest

De nieuwe Energy Label is een modificatie van een bestaande label voor gebouwen. Hij is niet verplicht en uiterst beperkt. Internationaal, jazeker, maar duidelijk op Amerikaanse leest geschoeid. Ook koelkasten, monitoren, vaatwassers enzovoorts kunnen bekroond worden met een Energy Star. Jammer genoeg is een datacenter geen koelkast, monitor of vaatwasser.

Om te beginnen is het gebaseerd op de PUE (Power Usage Efficiency)-metriek, een nogal eenvoudig rekensommetje van totaal verbruik gedeeld door daadwerkelijk ict-verbruik. Meer niet. Factoren als daadwerkelijke uptime en de energiebron, het doet er niet toe.

Datacenters vergelijken

Zoals Vic Smith van Dell en The Green Grid, een lobbygroep consortium van ict-bedrijven een jaar geleden opmerkte: PUE is niet bedoeld om datacenters met elkaar te vergelijken. Het is een benchmark voor je eigen omgeving, meer niet. Om die reden is niet iedereen even gecharmeerd van deze metriek. De Australische overheid, bijvoorbeeld, is bezig met het verfijnen van een eigen meetstandaard.

The Green Grid is trouwens bij uitstek het platform om aan te geven waar PUE geschikt voor is en waarvoor niet: de metriek is in 2006 door deze groep ontwikkeld, overigens met een Microsoft-man (Christian Belady) die het voortouw nam. Het net alsof je BP vraagt een boetesysteem te ontwerpen voor bedrijven die een olievlek veroorzaken.

Hebben hebben

Dan is er de manier waarop het nieuwe label wordt uitgereikt. Eerst dien je een online formulier in te vullen, met behulp van een tooltje. Als je bij de top 25 procent hoort binnen jouw eigen categorie (zeer vaag), dan komt iemand langs om te controleren of je niet hebt lopen jokkebrokken.

Pas bij zijn groen licht mag je het stickertje achter de receptiedame (of in Nederland steeds vaker: achter de beveiligingsman) plakken. Dat klinkt goed streng, maar dat is het allerminst. Een datacenter moet immers slechts relatief bij de beste 25 procent behoren. Het totale verbruik wordt niet eens meegenomen. Dat is alsof je een Hummer een betere uitstootwaardering geeft dan een Prius, omdat hij relatief goed scoort onder de Hummers.

Het probleem is dat deze Energy Star te veel gestoeld is op zelfregulering. Het is dusdanig ingericht dat bedrijven geen radicale aanpassingen hoeven te maken, of zich gedwongen aan targets hoeven te houden.

Zelfpromotie

Het hebben van de ster wordt tegelijkertijd gebracht alsof het bedrijf goed bezig is, nog wel met goedkeuring van de overheid. Ze kunnen het logo voeren zonder dat ze ook maar iets aan hun operaties hoeven te veranderen. Het label is niets meer dan een soort fundamentloze zelfpromotie.

De sector krijgt niet meer dan een marketing-wortel door zijn strot geduwd. Datacenters moeten eerst wel eventjes 'aaaa' zeggen.