Effectief komt de korting neer op bijna 50 procent van de oorspronkelijke prijs. Waar de Integrated Facility for Linux (IFL) eerst 75.000 dollar per eenheid kostte, gaan de rekenkernen nu voor 47.500 dollar van de hand.

Die prijzen lijken flink, maar in mainframe-land valt dat nog best mee; de standaardengines zijn nog veel duurder. De vondst van de specialty-engines was ook een van de redenen dat IBM opeens weer begon te verdienen aan zijn grote ijzeren rekenmonsters.

Door rekenkracht te verkopen voor specifieke workloads (naast Linux kun je onder andere zIIPs kopen voor DB2-routines en zAAPs voor WebSphere-processen) goedkoper te maken, kreeg de al meerdere malen afgeschreven mainframemarkt nieuwe impulsen.

Maar Moore's Law lijkt IBM dwars te zitten op Linuxgebied. Virtualisatie in combinatie met x86-processors van AMD en vooral Intel maken het steeds beter mogelijk om meer Linux-workloads te draaien op fysieke servers. Daardoor wordt het gebied waar IBM praktisch gezien een monopolie heeft met voeten getreden. De Intel Xeon maakt met de Nehalem-architectuur gebruik van een nieuwe interconnectie (QuickPath), waardoor een verzameling servers qua brute kracht in de buurt begint te komen van Big Iron.

Een jaar geleden bracht IBM al de System z Business Class (BC) uit, een kleiner broertje van de Enterprise Class (EC). Die BC bevindt zich al meer aan het front waar de mainframe in contact komt met x86, en dus waren de Linux specialty-engines daar per stuk al veel goedkoper dan de EC-IFL's.

Maar die prijs gaat dus verder naar beneden. Tegenover The Register geeft marketingdirecteur Karl Freund aan dat het een stap is om alvast voor te bereiden op de Intel Xeon 7500-processoren die voor het einde van dit jaar gepland staan. Bron: Techworld