Om maar meteen met de de deur in huis te vallen: zowel Parallels als Fusion biedt een solide manier om Windows of Linux te draaien op een Mac. Beide pakketten hebben een gemakkelijk installatieproces en draaien zelfs de zwaarste Windows-applicaties zonder problemen. Toch zijn er verschillen, waardoor het ene pakket beter aan kan sluiten op uw persoonlijke eisen dan het andere. Zo biedt de laatste versie van Parallels ondersteuning voor Symmetric Multi-Processing (SMP) en 64-bits besturingssystemen. Fusion kreeg recentelijk een complete make-over en sluit met zijn Cocoa-interface naadloos aan op een Mac-omgeving.

De pakketten werden getest op een MacBook Pro (2.4 GHz Intel Core 2 Duo met OS X 10.5.5). Om virtualisatiesoftware probleemloos te kunnen draaien is veel intern geheugen belangrijk (in dit geval 4 GB). Een grote harde schijf is een pré, omdat elke virtuele machine gebruik maakt van enkele gigabytes aan schijfruimte.

Guest Tools

Zowel Parallels als Fusion bieden eenvoudige ondersteuning voor guest tools. Dat zijn drivers die ervoor zorgen dat het hoofdbesturingssysteem naadloos communiceert met het virtuele systeem. Hierdoor is het onder meer mogelijk om vensters te vergroten en te knippen en plakken tussen de systemen. Ook kunnen beide twee pakketten meerdere ‘snapshots’ maken van het systeem, zodat veranderingen later eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden.

Op algemeen vlak ontlopen de prestaties van Parallels en Fusion elkaar dus niet veel. Toch zijn er wel degelijk verschillen. Op het gebied van printen neemt Fusion een lichte voorsprong. Doordat het pakket gebruik maakt van voorgeïnstalleerde printerdrivers in OS X, hoeft de gebruiker bijna niets in te stellen. In Parallels moet dit daarentegen wel gebeuren, omdat de printer wordt weergegeven als een parallelle poort. De gebruiker moet vervolgens de juiste drivers vinden, installeren en de printer instellen. Op 3D-gebied vallen de prestaties van beide pakketten tegen. Zo bleek Microsoft’s World Wide Telescope helemaal niet te draaien en werkte Flight Simulator weliswaar beter, maar nog steeds niet optimaal. Om PC-spellen op een Mac te spelen, is en blijft Apple’s Boot Camp daarom een betere oplossing.

Beide pakketten hebben een tool waarmee een fysiek systeem omgezet kan worden naar een virtueel systeem (P2V-conversie). Het programma in Fusion heet Converter en werkt via een wizard die tot enige verwarring kan leiden. Een video-tutorial van VMware biedt uitkomst. De oplossing in Parallels is eenvoudiger: in een paar stappen verandert de Parallels Transporter een systeem van enkele gigabytes in een bootable gastsysteem.

Hoewel beide platformen gericht zijn op Windowsgebruikers, is het ook mogelijk om Linux te draaien. Toch worden de beste resultaten behaald met het besturingssysteem van Microsoft, omdat de functies daar het beste op aansluiten. In de nieuwste versie van Parallels is het zelfs mogelijk om de statusbalk van Windows te integreren in de menubalk van OS X, zonder daarbij het Windows-venster te tonen. Daartegenover staat dat de integratie van het bestandssysteem in Fusion beter aansluit op OS X, doordat het gebruik maakt van Cocoa.

De concurrentie tussen Parallels en Fusion heeft ervoor gezorgd dat beide pakketten weliswaar vrij compleet zijn, maar toch elk hun eigen voordelen hebben. Het is aan de gebruiker om een afweging te maken welke van de twee het beste aansluit op zijn eisen.

Vertaling en bewerking: Marijn Akerboom

Bron Bron: Techworld