Dcml (data center markup language) is een xml-formaat om verschillende computer- en managementsystemen informatie met elkaar uit te laten wisselen. Een systeem kan bijvoorbeeld aangeven hoe groot en snel zijn capaciteit is, welke softwarecomponenten zijn geïnstalleerd, en wanneer en in welke vorm zijn diensten beschikbaar zijn.

Complexiteit

Deze specificatietaal bestrijkt dan ook een enorm breed spectrum. Het gaat hier immers niet alleen om servers, maar ook om netwerkcomponenten, opslagsystemen en transactieverwerkers, en om alle software die op deze systemen is geïnstalleerd. Bovendien beschrijft deze specificatie ook hoe al deze verschillende onderdelen met elkaar zijn verbonden, en hoe onderlinge relaties en afhankelijkheden in elkaar zitten. Dcml moet straks zelfs toegepast kunnen worden om verbindingen tussen systemen over verschillende organisaties heen te kunnen beschrijven, bijvoorbeeld voor ketenintegratie, en heterogene grids en clusters. Daarnaast moeten applicatieontwikkelaars deze standaard ook kunnen gebruiken om aan te geven welke resources hun toepassingen nodig hebben. Volgens Rob Wijers, die zich bij EDS bezighoudt met de strategie binnen de beheersomgevingen, zijn de hedendaagse data centers enorm complex. "Het gebruik van oudere systemen neemt alleen maar toe, en daaromheen wordt heel veel bijgebouwd. Ketens worden zo niet alleen heel ingewikkeld, maar moeten ook nog eens zeven maal vierentwintig uur beschikbaar zijn. Als wij een nieuw systeem, nieuwe software of een nieuwe versie van Oracle moeten installeren, heeft dat consequenties op een heleboel andere plaatsen. Het gestandaardiseerd vastleggen van deze complexiteit is essentieel om deze afhankelijkheden inzichtelijk te maken. Wat heb ik in huis en hoe hangt dat aan elkaar? Zo kunnen veranderingen snel worden geïmplementeerd, en ook weer snel worden teruggedraaid als er problemen ontstaan. Daarnaast kan een klant hiermee de complexiteit van zijn omgeving langzaamaan verminderen."

Utility computing

Weer grip krijgen op de complexiteit van het data center is echter niet het belangrijkste doel van dcml. Reproductie, provisioning, procurement, planning, en de mogelijkheid sneller en geautomatiseerd veranderingen door te voeren, moeten vooral utility computing een stap dichterbij brengen. De eerste vereiste daarvoor is immers de virtualisatie van resources. Daarbij worden verwerkingskracht, opslag en infrastructurele diensten geabstraheerd van de onderliggende hardware. De resource management software verdeelt deze vervolgens volautomatisch over de te verrichten taken. Een web site kan zo zelf meer serversystemen bij laten schakelen als het aantal bezoekers toeneemt. Op die manier kunnen investeringen in ICT infrastructuur veel beter worden uitgenut. Hoewel de grote leveranciers de afgelopen twee jaar flink wat aandacht hebben gevraagd voor hun utility computing initiatieven, is men voor wat de daadwerkelijke implementatie betreft vooral bezig geweest met deze eerste, onderste laag van de hele architectuur: de horizontale virtualisatie van systemen. Elk van deze leveranciers doet dat echter op zijn eigen manier en vanuit zijn eigen belangen en achtergrond. IBM (Autonomic Computing) kijkt vooral naar utility computing als dienstverlener, terwijl HP (Adaptive Enterprise en Utility Data Center) zich graag met de bedrijfsprocessen van zijn klanten wil bemoeien. Beide gebruiken hun eigen beheersoftware, respectievelijk Tivoli en OpenView, om hun specifieke strategie in te implementeren. IBM maakt daarvoor bijvoorbeeld gebruik van cei (common event infrastructure), gebaseerd op het samen met Cisco ontwikkelde en bij OASIS ondergebrachte cbe (common base event). Sun en Microsoft onderhouden elk hun eigen complete, gesloten product stack, waarbinnen zij ook weer vooral hun eigen dingen doen. Sun's N1 initiatief beperkt zich tot resource management, virtualisatie en provisioning. Terwijl Microsoft zich met zijn dynamic systems initiative (dsi) vooral richt op het aanbieden van ingangen voor het beheer van Windows software. Daarvoor zullen de applicaties en operating systems worden uitgebreid volgens het system definition model (sdm).

Leveranciers-onafhankelijk

Dcml is dan ook een initiatief van EDS, Computer Associates en Opsware, maar wordt inmiddels toch ondersteund door meer dan vijfentwintig andere organisaties, waaronder BMC, Fujitsu Siemens, Mercury, NEC en Tibco. Computer Associates is met Unicenter de enige grote leverancier van een leveranciers-onafhankelijke management suite. En EDS heeft als beheerder van heterogene data centers voortdurend met de complexiteit daarvan te maken. Wijers zegt daarover: "CA maakt geen hardware, en wij zelfs geen hardware of software. Beide richten we ons op het beheer van multi-vendor omgevingen." Van de vier eerder genoemde leveranciers, die wel met utility computing de markt op zijn gegaan maar geen direct belang hebben bij een brede open standaard, is zelfs niemand lid van de DCML Organization. Ook andere belangrijke leveranciers als Cisco, Dell, EMC, Oracle en Veritas ontbreken. Dat de dcml-standaard onlangs bij OASIS is ondergebracht, is daarom een belangrijke stap in de goede richting. Sinds een paar maanden wordt in dat verband in vier Technical Committees aan de dcml-specificaties gewerkt, voor netwerken, servers, applicaties en diensten. Daarbij wordt voortgebouwd op owl (web ontology language) and rdf (resource description framework) van W3C, dat ook een aantal xml-standaarden onder zijn hoede heeft. Na het algemene dcml-raamwerk dat vorig jaar al beschikbaar kwam, volgt de komende maanden nog een hele zwik meer gedetailleerde specificaties. Bron: Techworld