Bedrijven die zonder eigen producten of diensten andere bedrijven aanklagen wegens patentenschending doen het goed. Deze zogeheten patenttrollen halen hogere vergoedingen binnen voor schendingen van hun patenten.

Sterker nog: die bedrijven scoren hogere schadevergoedingen dan bedrijven met patenten op technieken die ze gebruiken in producten of diensten die ze zelf bieden. Sinds 2002 is de vergoeding consistent hoger. De gemiddelde vergoeding die patenttrollen binnenhalen, is over de afgelopen 7 jaar drie keer hoger dan die voor bedrijven met patenten die ze wel zelf gebruiken.

Buit binnenhalen

De buit voor patenttrollen is sinds 1995 ruim verdubbeld ten opzichte van de vergoedingen voor 'praktiserende' bedrijven. In het merendeel van de gevallen bestaat de vergoeding uit een overeenkomst voor het betalen van royalty's op de gepatenteerde zaken. Verder zijn patenttrollen in 29 procent van de rechtszaken succesvol, versus 41 procent voor de 'praktiserende' bedrijven.

Toch hebben beide soorten patentaanklagers een ongeveer gelijk kans, van 66 procent, op een overwinning. De patenttrollen leggen het echter meestal af als het aankomt op een samenvattende uitspraak (summary judgment) door een rechter zonder dat er een volledige rechtszaak is gevoerd. Zo'n uitspraak kan bijvoorbeeld voor aanvang van de zaak de aanklacht - geheel of op bepaalde punten - al afwijzen. Jury's blijken meer genegen om schadevergoedingen toe te kennen in patentzaken.

Patentonderzoek

Deze conclusies komen naar voren uit het onderzoek '2009 patent litigation' dat is uitgevoerd door consultancy PriceWaterhouseCoopers (PWC) in de Verenigde Staten. Daarbij zijn 1400 rechtszaken onderzocht die hebben geleid tot een uitspraak door een rechter of jury. Het gaat overigens om patenten in de brede zin des woords; uiteenlopend van claims op medische apparatuur en medicijnen tot chemicaliën en ict-uitvindingen.

PWC hanteert in het resulterende rapport A Closer Look (pdf) nog een conservatieve definitie van een patenttrol (non-practicing entity, NPE). Juridisch journalist Joe Mullin van het Amerikaanse vakblad IP Law & Business stelt dat de definitie eigenlijk breder moet zijn. De door PWC gehanteerde definitie maakt namelijk geen onderscheid tussen patentclaimende bedrijven in dezelfde markt en organisaties die niet eens met elkaar concurreren.

Van defensie naar melkkoe

Hij ziet een trend dat patenten niet alleen worden gebruikt om concurrentie buiten de deur te houden, maar ook om simpelweg royalty's te innen voor activiteiten waar een bedrijf of niet mee bezig is of waar het niet succesvol in is. "Het is mogelijk dat er een scheiding ontstaat. Met een kleine, selecte groep van industrieën waar patenten worden gebruikt als middel om te strijden om marktaandeel. Daarnaast is er dan een breder deel van de economie waar patenten voornamelijk - of zelfs alleen - worden gebruikt om omzet te generen voor de patenthouders."

Onder dat laatste vallen dus de klassieke patenttrollen, maar ook onderzoeksafdelingen van universiteiten en grote bedrijven die zelfstandige takken hebben voor het onder licentie verstrekken van gepatenteerde technieken. Voorbeeld is het verstrekkende Eolas-patent van de universiteit van Californië op fundamentele webtechnieken, waarvoor Microsoft uiteindelijk is gezwicht. Ook ict-reus Intel is recent door de knieën gegaan voor patentclaims van een universiteit.

Wel/niet concurrenten

Een recent voorbeeld van patentaanklachten door bedrijven die wel concurrenten zijn, is het conflict tussen Nokia en Apple. De Finse telefoonmaker heeft zijn aanklacht echter uitgebreid om alle Apple-producten te omvatten, waar Nokia dan weer niet mee concurreert. Een recent voorbeeld van niet-concurrenten is de aanklacht van Kodak tegen Apple en RIM.