Uiteraard is er het een en ander veranderd sinds RC0 is uitgekomen, en daarom bespreekt Jonathan Hassell van Techworld-zuster Computerworld de verschillen tussen de release candidates en de definitieve versie.

Het belangrijkste opvallende verschil tussen de release-to-manufacturing (RTM)-uitgave en de eerste release candidate (RC0), is die in de prestaties: de RTM is duidelijk sneller. De meeste verbeteringen zijn erin gebakken tussen RC0 en RC1, maar dat viel amper op omdat a) RC1 niet zo breed werd uitgegeven als RC0 en b) Microsoft geen prestatievergelijkingen toeliet. Het bedrijf was kennelijk niet klaar voor brede tests op RC1.

De prestaties tussen RC1 en RTM zijn overigens wel hetzelfde. Qlogic, een SAN-leverancier, heeft Hyper-V RC1 uitgeprobeerd op zijn eigen op fibre channel gebaseerde host bus adapters (HBA). Het bedrijf koppelde de HBA aan een storage array om te kijken hoeveel I/O-operaties de VM's per seconde kunnen hebben, vergeleken met traditionele fysieke hardware. De resultaten waren indrukwekkend, en dat zijn ze met de RTM gebleven.

Om wat cijfers te geven: een configuratie die specifiek gericht is op applicaties die intensief I/O vertonen (zoals mail- en databaseservers), laat op 'echte' hardware een maximale input/output zien van 120.426 operaties per seconde. De Hyper-V virtuele machine kwam op 116.720. De virtuele machine zette de hardware dus aan het werk met een rendement van 97 procent.

Qlogic heeft een paar vergelijkbare tests uitgevoerd op verschillende configuraties, die elk een specifieke storage-omgeving nabootsen. De resultaten bleven redelijk constant, en bleven tussen de 88 en 99,93 procent schommelen. Ook Microsoft pronkt ermee dat msdn.microsoft.com en technet.microsoft.com nu al maanden op Hyper-V RC1-machines draaien. Bij elkaar zijn deze sites dagelijks goed voor vier miljoen hits. Ieder van de drie IIS7 VM's draait op vier virtuele processors met 10 GB aan RAM, terwijl de fysieke hosts op twee quadcores en 32 GB RAM draaien.

Ondersteuning Gast-OS

Het andere grote verschil tussen de RC's en RTM is het aantal gast-OSen dat Hyper-V ondersteunt. Op dit moment zijn meer dan vijftig besturingssystemen gevalideerd, waaronder Windows 2000 Server, Windows Server 2003, XP en Vista voor x86 als x64 en verschillende multiprocessor-configuraties. Dan wordt ook nog SUSE Linux Enterprise Server 10 ondersteund, inclusief Service Packs 1 en 2, voor x86 en x64. De integratiecomponenten, die de compatibiliteit verder verhogen, moeten nog beschikbaar komen. Naast de door het Hyper-V-team gevalideerde besturingssystemen hebben de OEMs zelf meer dan 214 verschillende systemen voor de hypervisor goedgekeurd, terwijl leveranciers van software 57 applicaties aan het uittesten zijn voor Hyper-V.

De virtuele machines voor Windows Server 2003 en 2008 (zowel 32- als 64-bits) werkten in mijn eigen niet-wetenschappelijke proeven redelijk soepel en realistisch op een Windows Server 2008 SP1 Dell Precision Workstation 490 met twee Xeon-processoren en 4 GB RAM.

Maar er was wel een duidelijke vertraging op het moment dat de VM's daadwerkelijk gemanipuleerd werden. Installatie van applicaties verliep traag en schokkerig, het kopiëren/slepen/plakken met een muis gaat stroef enzovoorts. Het is wel werkbaar, maar er is een duidelijk verschil tussen dit en de fysieke PC.

Daartegenover staat dat er een verschil te merken is tussen VM's en native hardware als de package met integratiecomponenten geïnstalleerd is op elke machine. Netwerkprestaties met Hyper-V Manager tijdens het routen van muis- en toetsenbordrespons zijn dan ook redelijk goed.

Toch blijven een paar problemen onopgelost in de RTM, ondanks de goede prestaties en de 'oplossing in een doosje' die Hyper-V is. Nog steeds is er geen usb-ondersteuning op gast-OS'en, er is geen Hot-add, en het belangrijkste: er is nog steeds geen component voor live-migratie zoals VMware dat wel heeft met VMotion.

Bewerkt, ingekort en vertaald door Michiel van Blommestein.

Oorspronkelijk artikel op Computerworld.com. Bron: Techworld