Mocht ik aankomende donderdag niets beters te doen hebben, dan zou ik mijn geluk wel eens op de servermarkt kunnen gaan beproeven.

Hoe pak ik het dan aan? Nou, ik zou ten eerste op zoek gaan naar een kale 1U rackserver, met als belangrijkste criteria dat hij DOS van een floppy kan booten, en dat hij offline moet worden gehaald voor het wijzigen van eenvoudige instellingen. Daar ram ik vervolgens geheugen, processors en harde schijven in. U als klant mag mij betalen voor het erop zetten van Windows of Linux, en tenzij u direct een flinke partij van mijn servers aanschaft, smeer ik u ook ondersteuning aan op desktopniveau. Omdat ik niet betrokken ben geweest bij het daadwerkelijk bouwen van de architectuur, hoef ik alleen af te gaan op updates voor bios en drivers die mijn moboleverancier mij verstrekt. Die stuur ik, selectief uiteraard, door naar u, vergezeld met waarschuwingen dat het verkeerd toepassen ervan het hele systeem onklaar kan maken. Dat duurt zo lang als de leverancier de software of firmware levert, maar wees niet bang: je hebt een goed jaartje om je daarop voor te bereiden.

Het mag een belachelijk begin zijn voor een recensie over de nieuwe Xserve 1U Rackserver van Apple, ware het niet dat bovenstaande een typisch is voor hoe servers van minder dan 5000 dollar in de markt worden gezet.

Zelf ontworpen

Maar op de processors, twee Harpertown quadcore Xeons van Intel, na heeft Apple alles zelf ontworpen en daarmee is het de antithese van de gangbare budgetservers. Van de architectuur en firmware tot het chassis, OS en meegeleverde tools, alles is van Apple zelf. Ondersteuning wordt niet afgeschoven op Microsoft, of Novell, of Red Hat, of GNU, maar komt direct op het bord van de technici die het in elkaar hebben gezet. Hij is niet gebouwd en ondersteund voor een jaar, of twee, maar voor drie tot vijf jaar of langer.

Wie een grote Unixserver koopt van IBM, HP of Sun verwacht voor een beginprijs van rond de 20.000 dollar het beste te krijgen van alles. Maar wie een 1U, x86 rackserver wil met een paar mogelijkheden van 'big iron' wil, met een beginprijs tussen de 3 en 5 duizend dollar, met acht 64-bits kernen, die gaat naar Apple. Voordeel ten opzichte van big iron Unix is ook nog eens dat Windows, Linux of Mac OS X met Parallels of VMware prima vallen te consolideren. De applicaties en gevirtualiseerde OS'en kunnen op de Xserve beheerd worden via de centrale grafische interface, of voor wie wil de command prompt uiteraard.

Consistent=opwaardeerbaar

Apple blijft ook consistent, zoals het eigenlijk doet met al haar producten. De upgrade van vier kernen naar de acht voor Harpertown geeft een flinke prestatieverbetering, maar is geen fundamentele verandering. Dat heeft als voordeel dat het voor de soft- en firmwareupgrades niet uitmaakt of iemand een Xserve met acht rekenkernen heeft staan, of een oudere met slechts vier. Sterker nog, zelfs de Xserves gebaseerd op PowerPC draaien op hetzelfde OS, en zijn daarom in beheer vrijwel identiek met de Intel-Xserves. Daarbij mist u wel de lights-out functionaliteit en de mogelijkheid om x86 besturingssystemen te virtualiseren.

Theoretisch kan Apple zijn servers upgraden door alleen de processors te vervangen. Gelukkig houdt Apple het niet daarbij, en is het ontwerp ook dusdanig duurzaam dat upgrades voor lage kosten uitgevoerd kunnen worden. Die winst deelt Apple vervolgens met de klant door de standaardmogelijkheden over de hele lengte verder uit te bouwen.

Nieuw

Ten opzichte van zijn voorganger is de nieuwe Xserve flink sneller en flexibeler. De Harpertown is 45nm en bevat een lekkere 12 MB aan L2-cache per socket. De PCI-Express 2.0 bus herbergt de nieuwste adapters voor netwerk en host bus, zonder dat de compatibiliteit met de PCI-X kaarten van de Xserves uit het tijdperk van PowerPC verloren gaat.

Slim is ook de vervanging van de 667 MHz FBDIMM DDR2 RAM naar modules van 800 MHz. Zo sluit het geheugen goed aan op de hogere L2 cache, en is de doorvoer dusdanig goed dat het systeem vol gebruik kan maken van de acht rekenkernen. Bedenk daarbij dat de meeste software tegenwoordig afhankelijker is van de throughput dan van pure CPU-kracht, en dus van RAM, bus en cache. Bij de Xserve zit het bij alledrie snor.

Toegevoegd aan de Xserve is een ingebouwde grafische chip van AMD/ATI, met 64 MB aan videogeheugen. Dat is voldoende om de console, samen met Apples zware Aqua GUI, regelmatig aan te roepen zonder dat processor of geheugen onnodig aangeroepen worden. Wie meer wil, denk daarbij aan toepassingen voor de wetenschap of de creatieve sector, kan een extra PCI-Express aanschaffen.

De Xserve kan eventueel zelfs op het kantoor gebruikt worden als desktop, al is hij daar eigenlijk iets te lawaaiig voor. Toch is het met een geluidsisolerende kast en wat USB-kabeltjes is dat zo opgelost. Aan de programmatuur ligt het in ieder geval niet, want Leopard Server kan met gemak dezelfde applicaties draaien als de desktopvariant. Het is zeker wat onorthodox, maar het past op zich wel bij de tijd dat een server ook de gebruiker kan bedienen. Apple heeft zelfs een USB-aansluiting op het voorpaneel geplaatst.

Ook qua opslag op de server heeft de Xserve altijd goede kaarten gehad, en ook nu is Apple flink los gegaan. In de drie slots passen niet alleen SATA-schijven zoals bij andere instapservers, maar ook snelle SAS-schijven. Beide types zijn in elke mix te installeren en snel te verwijderen. De modules van Apple zelf hebben ieders 1 TB aan ruimte, wat de totale opslag op 3 TB brengt.

RAID

Voor een extra duizend dollar levert Apple nog een RAID-kaart, die direct achter de schijven geplaatst worden en verder onzichtbaar blijven. Eigenlijk vind ik de extra kaart verplicht voor eenieder die de Xserve in een bedrijfsomgeving gebruikt. Het heeft een schrijf-cache die in geval van stroomstoring in de lucht wordt gehouden met een batterij, pariteiten en gespiegelde volumes worden automatisch en duidelijk aangemaakt en er kan geboot worden op momenten dat een drive in een pariteit-set het begeeft. Ik heb één nadeel kunnen bespeuren: op het moment dat de batterij minder dan 72 uur te gaan heeft, begint de kaart met een venster te zeuren dat 72 uur toch wel het minimum is om de cache te behouden. Die waarschuwing is wat mij betreft niet nodig.

Als laatste nog iets over de zelfmonitoring van het systeem: die is ronduit geweldig. Alles wordt bijgehouden: kasttemperatuur, fanrotatie, stroom, voltage, ga maar door. Als iets niet in de haak is, grijpt het systeem zelf direct in en probeert het euvel te verhelpen. De gegevens worden zelfs opgeslagen en kunnen altijd geraadpleegd worden, zelfs als het systeem uit staat. In het laatste geval kan dat door een laptop (via IPMI als u een Mac gebruikt) aan te sluiten op de Baseboard Management Controller (BMC) van het moederbord en de gegevens via Server Monitor uit te lezen. Dat kan ook met elk systeem gebaseerd op POSIX.

Virtualisatie

Desktopvirtualisatie werd door Leopard OS X al opgepakt voordat Windows Server ermee kwam. Zowel Parallels Desktop als VMware Fusion voldoen in de meeste gevallen prima, waarbij de laatste als voordeel heeft dat het ook 64-bits OS'en aankan. Overigens kan Leopard Server binnenkort ook zichzelf virtualiseren, waardoor de Xserve de eerste wordt die alle x86 besturingssystemen kan ondervangen.

Prijs

De goedkoopste Xserve kost 3000 dollar, vier kernen met 2 GB RAM. Hoewel dit goed genoeg is voor kleine bedrijven, moet er wel bij bedacht worden dat de lege socket officieel achteraf officieel niet gevuld kan worden. Beter is daarom de variant voor 4000 dollar,waarbij beide sockets worden gebruikt voor acht kernen uit twee 2,8 GHz CPU's en 4 GB RAM. De prijs schiet vanaf dat punt flink omhoog door hardwarekosten: een 8 GB RAM achtkerner op 3 GHz is al 5800 dollar.

Maar voor de echte fanatici is het een fijne verrassing dat de volledig uitgeruste variant (Harpertown, acht 3 GHz-kernen, 3 TB opslag met hardware RAID, 32GB RAM) onder de 10.000 dollar blijft. Het is daarmee niet de goedkoopste 1U x86 server, maar voor dat geld voert niemand het idee van big iron zo ver door als Apple. Bron: Techworld