Als je eindelijk toestemming hebt gekregen om een kleine bedrijfsinfrastructuur te virtualiseren, lijkt het je misschien dat het moeilijkste onderdeel, de daadwerkelijke uitvoering, nu gaat komen. In veel gevallen is het echter lastiger het budget bij elkaar te krijgen om alle benodigde hardware en software te vergaren – de overstap zelf is vaak opvallend eenvoudig.

Het belangrijkste bij de migratie van een fysieke naar een virtuele infrastructuur is dat je ervoor zorgt dat je alles op zijn plek hebt voordat je op één enkele server overstapt, iets in productie neemt, of gaat testen. Vergelijk het met het uitpakken en uitspreiden van alle onderdelen die je nodig hebt om een tafel van IKEA in elkaar te zetten. Als je dat eerst doet wordt de taak een stuk eenvoudiger, omdat je alle benodigdheden voor het grijpen hebt. Bovendien leidt een goede voorbereiding tot een beter eindproduct.

Daarom is het belangrijk dat je volledig op de hoogte bent van de functies en beperkingen van de virtualisatie-oplossing waarvoor je kiest. In bepaalde gevallen, wanneer het budget niet toereikend is voor higher-end functies, moet je de gevolgen overzien van de concessies die gedaan zijn.

Zo kun je bijvoorbeeld licenties hebben voor live virtuele servermigraties tussen hosts, maar niet voor geautomatiseerde load-balancing of hoge beschikbaarheid, of misschien zul je moeten afzien van geavanceerde optimalisatiefuncties of iets dergelijks.

In het eerste geval zul je virtuele servers handmatig moeten balanceren tussen meerdere fysieke hosts en ze handmatig linken en herstarten, mocht een fysieke host falen. In het tweede geval zul je per fysieke host meer geheugen nodig hebben dan normaal omdat geavanceerde geheugendeling niet beschikbaar is. Om maar wat te noemen.

Er zijn allerlei andere voorbeelden, maar dit zijn enkele veel voorkomende. In kleinere infrastructuren voel je het gemis van deze functies niet zo sterk als in andere gevallen vanwege het kleinere aantal virtuele servers en omdat je maar weinig te maken hebt met ongebalanceerde of hoog variabele werkbelastingen. Hoe dan ook, het is belangrijk dat je, voordat je begint, weet waar je mee te maken hebt en waar je over kunt beschikken.

De bouw van het netwerk

Het is van groot belang dat je voldoende fysieke serverkracht, ethernetswitches en opslagruimte beschikbaar hebt. Er zijn verscheidene kleine, goedkope opslagapparaten op de markt die een gevirtualiseerde werkbelasting aankunnen, en multi-core servers zijn zeer redelijk geprijsd.

Zorg er indien mogelijk voor dat je een redelijk redundantieniveau beschikbaar hebt voor elke oplossing die je kiest, zoals redundante stroomvoorzieningen en beschermende RAID-niveau’s, met minimaal RAID5. Als de infrastructuur zo klein is dat er geen plan voor gedeelde opslag is, is het absoluut noodzakelijk dat de fysieke host server(s) voorzien is/zijn van door accu’s ondersteunde RAID-controllers. Bij voorkeur hebben deze servers een interne RAID6-array.

Wees er ook op bedacht dat, als je afziet van gedeelde opslag, je geen voordeel kunt halen uit functies als live migratie, noch zul je niet-werkende virtuele servers die zich op de lokale opslag van een falende fysieke host bevinden snel kunnen herstarten.

Wat ethernetswitches betreft moet je ervoor zorgen dat je er een hebt die aan linkaggregatie kan doen, als je van plan bent iSCSI-opslag te gebruiken moet er informatie over de iSCSI-ondersteuning in de switch aanwezig zijn, en met name support voor jumbo frames. Niet alle gigabitswitches zijn hetzelfde; sommige kunnen de iSCSI-prestaties zelfs hinderen. Kies een switch waar expliciet op staat dat hij compatibel is met iSCSI – altijd met ondersteuning voor jumbo frames.

Wanneer deze onderdelen eenmaal zijn samengebracht is de bouw van het netwerk simpel. Voor gedeelde opslagoplossingen moet elke fysieke host minimaal vier netwerkinterfaces hebben: twee die geconfigureerd zijn voor storage failover (de mogelijkheid om in een noodgeval op een backupsysteem over te schakelen), en twee die geconfigureerd zijn voor linkaggregatie aan de front-end zijde. Voor niet-gedeelde oplossingen zijn twee geaggregeerde front-end interfaces afdoende.

De opslagarray moet op vergelijkbare wijze worden geconfigureerd om meerdere links naar het netwerk te hebben, zodat je rekening kunt houden met het mogelijke falen van een link.

Zodra dit netwerk gebouwd is ben je klaar om de virtualisatiesoftware op de fysieke hosts te installeren en (indien van toepassing) te linken naar je gedeelde opslag.

Omgaan met de migratie naar virtualisatie

Elke infrastructuur is anders, dus er zijn geen kant-en-klare plannen voor de verplaatsing van servers van het fysieke naar het virtuele rijk, maar er zijn een aantal vuistregels die je kunt volgen.

De eerste regel heeft te maken met het gebruik van Physical to Virtual (P2V) migratietools. Deze zijn bij een groot aantal leveranciers verkrijgbaar en zijn al dan niet inbegrepen in de virtualisatieproducten die je hebt uitgekozen.

Sommige zijn beter dan andere, maar veel servers kunnen op deze manier met succes worden gemigreerd, wat een hoop tijd en gedoe scheelt. In bepaalde gevallen (servers die nichesoftware draaien of het gebruik van hardwaresleutels vereisen; licenties die gebonden zijn aan specifieke fysieke serveronderdelen zoals ethernet MAC-adressen) is het gebruik van P2V problematischer dan ze gewoon te herbouwen als virtuele servers, maar dat helaas is dat vooraf nauwelijks met zekerheid te voorspellen.

Het goede nieuws is dat je in de meeste gevallen een P2V-migratie kunt proberen te doen zonder dat je problemen op de fysieke server veroorzaakt. Als de migratie mislukt kan de fysieke server simpelweg zonder dataverlies opnieuw opgestart worden.

Let wel, zorg ervoor dat je, voordat je gaat migreren, je backups uittest. Je moet altijd een backupplan hebben voor het geval er iets misgaat.

Er zijn servers die je niet met P2V-tools moet migreren. Een bekend voorbeeld is een Windows Domain Controller. Het is veel eenvoudiger en minder problematisch om gewoon een nieuwe domeincontroller op een virtuele server te bouwen en deze op te werpen als volledige domeincontroller. Zodra alle replicatie heeft plaatsgevonden en de virtuele servers normaal functioneren kun je de fysieke servers terugtrekken.

Het is ook een goed idee om een aparte fysieke server als domeincontroller te behouden, zodat niet al je domeincontrollers gevirtualiseerd zijn. Het is geen noodzaak, maar zonder adequate functies met een hoge beschikbaarheid vormt het in de toekomst een belangrijk vangnet.

Andere servers kunnen gemigreerd worden met behulp van P2V-tools, of gewoonweg herbouwd worden als virtuele servers. In sommige gevallen is het herbouwen van de servers een goede manier om de rommel die oudere fysieke servers hebben achtergelaten op te ruimen, waardoor je de virtuele wereld met een schone lei kunt binnenstappen. Bedenk dat het onwaarschijnlijk is dat gebruik van P2V voor de migratie van een fysieke server bestaande problemen op zal lossen – het kan ze zelfs vergroten. Als je het niet zeker weet kun je altijd een P2V proberen en het herbouwen van de server als uitwijkmogelijkheid achter de hand houden.

Het is belangrijk dat je IP-adressering en fysieke en virtuele serveraanwezigheid bijhoudt. Onderneem bij het uitvoeren van een P2V stappen om je ervan te verzekeren dat de fysieke server en zijn virtuele dubbelganger niet tegelijkertijd draaien. Het P2V-proces behoudt de volledige aanwezigheid van de fysieke server, waaronder de namen, domeinlidmaatschappen, en IP-adressering, dus als je er meer dan één hebt draaien zal dat voor grote problemen zorgen. Het is het beste om na de migratie de fysieke server af te sluiten en de stroomkabels te verwijderen alvorens de nieuwe virtuele server op te starten.

Het conversieproces van een fysieke serverinfrastructuur naar een virtuele infrastructuur hoeft niet in één dag plaats te vinden. Beter van niet, zelfs. Je kunt klein beginnen door één of twee fysieke servers uit te kiezen voor conversie en deze over een bepaalde periode als virtuele servers te laten draaien om hun levensvatbaarheid vast te stellen. Je kunt één of twee servers per dag overzetten, of per week – het is over het algemeen niet nodig om alles in één keer volledig te converteren.

Gebruikmaken van de gelegenheid

Het kan voordelig zijn een virtualisatie-initiatief te combineren met een software- of besturingssysteemupgrade, zoals bijvoorbeeld de migratie van Windows Server 2008. Dit stelt je in staat zowel het nieuwe virtualisatieplatform als het verwachte gedrag van de nieuwe servers te testen, terwijl je met de bestaande infrastructuur nog een uitwijkmogelijkheid achter de hand hebt.

Het biedt ook de mogelijkheid schoon te beginnen met de nieuwe oplossing, wat misschien een verademing is als je in de fysieke wereld hebt zitten worstelen met verscheidene Windows-gerelateerde problemen.

Neem gedurende het migratieproces op bepaalde punten de tijd om even afstand te nemen en ervoor te zorgen dat je het originele plan blijft volgen. Zorg ook dat in dat plan de implementatie en het testen van backups is opgenomen voor je nieuwe virtuele infrastructuur.

Zodra je klaar bent met al je conversies en bouwwerkzaamheden zul je je waarschijnlijk afvragen hoe je het ooit zonder virtualisatie gedaan hebt, en alle inspanningen en onzekerheden over het migratieproces zullen als sneeuw voor de zon zijn verdwenen.

Bron: Techworld