Dat schrijft The New York Times. De krant baseert zich op welingelichte bronnen, voornamelijk bij de Amerikaanse federale recherche FBI.

Het bericht van The New York Times staat haaks op uitspraken van de Amerikaanse regering. Volgens president George Bush is het afluisteren van burgers een 'vitaal gereedschap' in de strijd tegen het terrorisme. Vice-president Dick Cheney heeft gezegd dat dankzij het afluisterprogramma 'duizenden levens' zijn gered.

Er is de nodige kritiek op de Amerikaanse afluisterpraktijken na de terreuraanslagen 11 september. Volgens critici is de inlichtingendienst National Security Agency (NSA) zijn boekje te buiten gegaan. De gebruikelijke juridische waarborgen bij het aftappen van Amerikaanse burgers werden genegeerd. Zo vroeg de NSA niet om toestemming van een rechter. In december werd bekend dat president Bush zelf toestemming heeft gegeven voor de telefoon- en internettaps.

Tot waardevolle informatie hebben alle taps nauwelijks geleid, verklaren anonieme medewerkers van de FBI tegenover The New York Times. In veel gevallen bleken de onderzochte personen onschuldige burgers. De FBI-medewerkers klagen dat de NSA veel nutteloze tips aanleverde. Hierdoor ging veel tijd verloren die nuttiger besteed had kunnen worden.

De NSA bestrijdt dat het afluisterprogramma geen waardevolle informatie heeft opgeleverd. "Dankzij dit programma hebben we informatie gekregen die anders niet beschikbaar was geweest", aldus generaal Michael Hayden, één van de hoogste inlichtingenfunctionarissen van de Verenigde Staten.