Met de voorstellen van de Europese telecomsector om een tweede internet, de zogeheten intertnettolweg, in te stellen, bedreigen zij het succesvolle verdienmodel van de internetsector. Doordat de telecombedrijven van oudsher op een andere manier hun netwerken hebben ingericht, beheerd en aan elkaar geknoopt, lopen zij continu achter de ontwikkelingen aan, zijn ze speelbal geworden van regulering van overheidswege en worstelen ze met toekomstige verdienmodellen.

Het grote verschil met de internetsector is de manier waarop telecombedrijven hun telefonieverkeer afhandelen en daarbij noodgedwongen zaken met elkaar doen. Die afspraken tussen de telecombedrijven onderling stammen al uit de tijd van de eerste internationale telefoonverbindingen en zijn dus zwaar historisch belast.

Deze afspraken stellen dat netwerken betalen aan het ontvangende netwerk per belminuut. Dit geeft de ontvangende partij een monopolie en deze kon dus de prijs voor het ontvangen van verkeer omhoogdrijven. Het mooie hiervan was, dat het de klanten van het andere netwerk waren die hiervoor betaalden, waardoor het bedrijf de kosten voor haar eigen klanten laag kon houden. Op deze wijze hebben de vaste netwerken bijvoorbeeld de mobiele netwerken gesponsord.

Telecom worstelt met dikke contracten

Met de toename van het gebruik van elkaars netwerken om verbindingen tussen zender (beller) en ontvanger (gebelde) tot stand te brengen, werden de afspraken tussen de verschillende netwerkeigenaren vastgelegd in contracten die naarmate de tijd verstreek dikker en dikker werden, soms wel tot honderden pagina's. Computersystemen moesten vervolgens nauwgezet bijhouden hoe de balans was in het gebruik van uitgaand en inkomend verkeer tussen twee netwerken, daar een berekening op los laten en een inkomsten en uitgavenbalans bijhouden.

Doordat telecomoperators simpelweg elkaars netwerken nodig hadden om een klant te kunnen verbinden met degene die hij wilde spreken, konden netwerken vrij hoge prijzen vragen voor dergelijke doorgifte. Daardoor deed overheidsregulering zijn intrede. Om de toegankelijkheid hoog te houden en de telefoondiensten aan de eigen burgers betaalbaar te houden, werd sterk regelgevend toezicht ingesteld. Nog steeds bepaalt de OPTA grotendeels het bedrag dat netwerkeigenaren elkaar in rekening mogen brengen voor het afleveren van telefonieverkeer.

Sterk contrast met internetsector

Dat staat in sterk contrast met de manier van werken op het internet. Ook daar ontstonden per aanbieder of per land lokale netwerken en werd in eerste instantie gebruik gemaakt van zogeheten transit providers om data van verzender naar ontvanger te brengen.

In sommige gevallen wordt daarvan nog steeds gebruik gemaakt (niemand heeft uiteindelijk een wereld omspannend netwerk en klanten willen misschien wel kunnen mailen met Argentinie), maar internetproviders besloten al snel dat onderlinge samenwerking sneller, goedkoper en –belangrijk- zonder regulering van prijzen zou zijn. Waarom een ander netwerk betalen voor het verkeer als je beide partijen al op een locatie, bv in Amsterdam waren.

Betalen voor een ander

Een andere afspraak was dat ieder netwerk verantwoordelijk was voor het financieren van zijn eigen netwerk en klanten. Klanten werden geacht zowel te willen zenden als te ontvangen en als zij kozen voor een “duur” netwerk, dan was het aan die netwerkaanbieder om daar de juiste prijs voor te rekenen. Andere netwerken werden niet belast met de kosten van deze aanbieder. Of om het anders te zeggen, als oma voor een goedkoop vast netwerk betaalt, waarom moet zij dan een hoge prijs betalen voor het bellen met dure mobiele netwerk waar haar kleinzoon op zit?

Het afleveren van verkeer aan elkaar, het zo geheten 'peering', gebeurt in 99,5 procent van de gevallen zonder dat daar contracten mee gemoeid zijn, laat staan geld. Er wordt niet gekeken wie elkaar nu het meeste verkeer bezorgd, er wordt dus geen balans opgemaakt wie dan onderaan de streep wie moet betalen. 'Peering' gebeurt op basis van wederzijds vertrouwen, op basis van een handdruk, zegt de OESO in zijn rapport Internet Traffic Exchange: Market Developments and Policy Challenges.

Netwerkeigenaren gaan zo dicht mogelijk bij elkaar zitten om peering makkelijker te maken. Lees verder op pagina 2

Bij elkaar op de Amsterdam Internet Exchange

Om dergelijke 'peering' nog makkelijker en goedkoper te maken, hebben de internetbedrijven gekeken hoe zij zo snel en simpel mogelijk gebruik kunnen maken van elkaars netwerk. Dat kan alleen als er zoveel mogelijk netwerkeigenaren zo dicht mogelijk bij elkaar gaan zitten. Daarmee was onder meer de Amsterdamse Internet Exchange geboren. Honderden netwerkbedrijven zijn daarop aangesloten en hebben met elkaar een overeenkomst gesloten zonder dat daar onderling met geld wordt geschoven. Na Amsterdam zijn er ook belangrijke 'hubs' opgezet in Frankfurt en Londen, en ook steeds meer in kleinere steden, zoals bijvoorbeeld Enschede, Groningen, Manchester of Turijn.

Doordat door dergelijke multilaterale overeenkomsten de monopoliepositie van (in Nederland) KPN werd omzeild, maar ook de diensten van de zogeheten transitproviders niet hoefden te worden ingeroepen, daalde de prijs van de doorgifte van verkeer dramatisch. Om aantrekkelijk te blijven, houden de transitproviders hun prijzen laag, nu zo'n 2 tot 150 dollar per Mbit/s per maand, afhankelijk van land en concurrentie. De positie van de transitproviders is nog steeds sterk in derde wereldlanden.

Exchange buiten reikwijdte van overheden

Maar de grote internethubs als de Amsterdam Internet Exchange blijven uitbreiden, lokale netwerkeigenaren in derdewereldlanden worden door onder meer de OESO gestimuleerd om van die IXP's gebruik te maken. De aantrekkelijkheid van dergelijke knooppunten heeft niet alleen de internetbackbone beschikbaar gemaakt aan internetproviders, maar ook voor contentdistributienetwerken (zoals bijvoorbeeld Akamai), universiteiten, NGO's, overheden en bedrijven. “Een doorsnede van de gebruikers van internet die grotendeels buiten de reikwijdte staan van welke regulering dan ook", zegt de OESO.

Maar nu de telecomsector voor grote investeringen in nieuwe netwerken staat, dreigt het model in gedrang te komen. De traditionele telefoniebedrijven zien hoe in de telefonie de uitrol gesponsord werd door andere netwerken en willen graag een zelfde systeem. Deze bedrijven die via hun netwerken behalve voice nu ook data aanbieden, zitten nog vast in het prijsmodel dat zij met elkaar hebben afgesproken voor de doorgifte van verkeer. Onderling wordt geplust en gemind om zo te kijken wie netto het meeste verkeer van anderen moet toelaten en dus de meeste financiële vergoeding daarvoor moet krijgen. Dat gecombineerd met de prijsgrenzen die de reguleringsinstanties opleggen en controleren (in Nederland de OPTA), brengt de telecomsector naar eigen zeggen in een financiële spagaat.

Telecommers willen geld van contentleveranciers

De toename van het dataverkeer, dat de netwerken van de telecommers zo belast, moet daarom financieel worden gecompenseerd. Door de contentleveranciers, vinden de Europese telecombedrijven die verenigd zijn in ETNO. Dat voorstel wordt in december door het VN-orgaan ITU behandeld in een vergadering over de toekomst van het internet. Maar, zo zegt de OESO, een prijsafspraak met contentleveranciers zal dus in het belang van de burgers die recht hebben op toegang tot alle internetdiensten moeten worden gereguleerd. Alleen zo kan de beschikbaarheid van diensten, zoals YouTube, worden gegarandeerd.

Maar een dergelijke regulering gaat dan ten koste van het bedrijfsmodel dat de internetindustrie eigenhandig en zonder overheidsbemoeienis in de afgelopen vijftien jaar heeft opgebouwd. De OESO pleit ervoor dat de regelgevende instanties moeten zorgen dat er een duidelijke scheidslijn blijft tussen de legacy-prijsmodellen van de telecomsector en het meer efficiënte internetmodel. Dat internetmodel kan alleen maar blijven bestaan in een omgeving dat toetreding tot de markt makkelijk maakt en investeringen stimuleert. En die omgeving is volgens de OESO niet mogelijk bij de mate van overheidsbemoeienis zoals die zich nu voordoet in de telecomsector.