Minister van justitie Winnie Sorgdrager vond enkele maanden geleden geleden nog dat een e-mail moest worden beschouwd als een prentbriefkaart: het is een postbode niet verboden om de geschreven achterzijde te bekijken en eventueel de politie in te lichten als daar zaken op staan die het daglicht niet kunnen verdragen.

In een nieuw wetsvoorstel Computercriminaliteit (te downloaden op de website van het ministerie) hebben de postbodes van het Internet – wel bekend als de providers - weer met hun tengels van andermans elektronische brieven af te blijven. E-mail valt onder het briefgeheim – als het voorstel van Sorgdrager de goedkeuring van Tweede en Eerste Kamer kan wegdragen.

Alleen de rechter daarvoor toestemming geeft mogen politie en justitie e-mail opvragen en inlezen. Ook is er toestemming nodig om e-mail te onderscheppen voordat die het postkantoor bereikt, net als er rechterlijke instemming nodig is om een telefoon af te luisteren.

Sorgdrager is vanwege de vele internationale consequenties niet van plan om de versleuteling van berichten (encryptie) te verbieden.

De positie van de providers is ook iets verstevigd: ze krijgen dezelfde rechten als uitgevers en drukkerijen. Ze kunnen niet strafbaar worden gesteld voor illegale zaken die hun abonnees via hun netwerk verspreiden, stelt de minister, maar aan die vrijheid zijn wel enkele voorwaarden verbonden. Als een provider lucht krijgt van strafbare zaken moet hij op zijn minst de bereidheid tonen om in te grijpen. Een provider die maar steeds verzuimt om op te treden tegen een abonnee die bijvoorbeeld bij herhaling kinderporno aanbiedt loopt alsnog kans om een proces aan de broek te krijgen.

Het wetsvoorstel computercriminaliteit omschrijft verder de positie van politie-agenten die op het Internet speuren naar illegale praktijken. Ze hoeven zich niet als zondaig kenbaar te maken: iemand die dus gekopieerde software aanbiedt via het netwerk moet dus beseffen dat hij mogelijk met oom agent aan het onderhandelen is.