Volgende week spreekt Steven Pemberton op de NLUUG najaarsconferentie over het open web. Techworld sprak alvast met hem over hoe het web zo open mogelijk gehouden kan worden.

Veel dimensies

Vaak wordt het open web gedefinieerd als een web waarvan de content vrij beschikbaar is, aldus Pemberton. Maar dat vindt hij onvoldoende gedefinieerd. “Ik vind dat je de verschillende dimensies van die openheid moet uitsplitsen, zodat je ze een voor een kunt nemen. Er zijn heel veel verschillende dimensies van openheid. Het is belangrijk om die allemaal in je hoofd te houden.”

Een van die dimensies is bijvoorbeeld de beschikbaarheid van de content voor blinden. “Is de content niet beschikbaar voor blinden, dan heb je g een open web”, stelt Pemberton. Maar er zijn meer dimensies. Zo is device-onafhankelijkheid er ook een. “Het is heel storend als je met een bepaald device of zelfs een bepaalde browser naar een website gaat en dat je die site dan niet kan zien", zegt hij.

Dataformaten

De volgende dimensie die door Pemberton wordt onderscheiden zit in de dataformaten. “Natuurlijk zijn de dataformaten een groot probleem. Want als de data niet beschikbaar is in het algemeen, dan kun je het niet goed gebruiken. Een onderdeel van het web is dat je dingen kunt combineren. Daarvoor moet je de data kunnen bereiken en kunnen gebruiken op verschillende manieren.”

Dat kan al misgaan bij de zoekbaarheid van data. In bepaalde formaten (“Ik wil niet specifiek zijn over welke formaten, maar ik denk dat veel mensen wel weten welke formaten ik bedoel.”) kun je gewoon niet zoeken, zegt Pemberton. Een zoekmachine kan die data niet uit het formaat krijgen en dan is die data veel moeilijker te vinden. “Die data is niet open.”

Walled gardens

Een probleem waar hij vervolgens uitvoerig op ingaat zijn de zogenoemde walled gardens. Volgens Pemberton is dat een probleem met web 2.0, waarmee Pemberton doelt op sites die hun waarde krijgen door middel van de gebruiker. Deze sites worden vaak afgesloten van de buitenwereld. Je kunt er je data binnenbrengen, maar daar zit het dan opgesloten. Een voorbeeld van dit soort sites is Flickr. Je zet er foto’s op en daar besteed je erg veel werk aan. Maar dat werk is alleen binnen Flickr nuttig. Komt er bijvoorbeeld een website die hetzelfde beter, mooier en handiger doet dan Flickr, dan kun je niet zomaar overstappen zonder al je werk in Flickr weg te gooien. Dat vindt Pemberton kwalijk. “Die data moet veel opener zijn. Want het is jouw data, niet die van hun. Jij geeft die website z’n waarde door er heel veel data op te zetten en zij hebben het recht op jouw werk. Dat vind ik een probleem. Het is mijn data, het is mijn werk en ik wil daarmee doen wat ik wil!”

Een ander voorbeeld dat hij geeft zijn de sites waarin je je stamboom kunt bouwen. “Meestal moet je daarvoor betalen”, zegt Pemberton. “Je bouwt je eigen boom. En daarbij is het heel handig dat de website je waarschuwt als andere mensen dezelfde voorouders in hun boom hebben zitten. Daardoor vind je heel andere delen van je stamboom.” Het probleem is alleen dat er meerdere soortgelijke websites zijn die niet met elkaar kunnen communiceren. Als zo’n deel van jouw stamboom op zo’n andere site staat, dan kun je de bomen niet combineren. “Dat is heel onwebachtig. Nu moet je in al die sites je stamboom opnieuw opbouwen om die informatie te vinden.”

RDFa

Om dat probleem op te lossen is Pemberton met een groep anderen bezig om een techniek te ontwikkelen die de data opener maakt. RDFa moet de data leesbaar maken voor machines. “Je zet informatie bij je data, een beetje als tags, die algemeen herkenbaar is als informatiegevend. Dan kan je bijvoorbeeld zien dat als je ‘Amsterdam’ zegt, dat het een stad is. Een zoekmachine, of zelfs een browser, weet dan dat het een stad is en aan de gebruiker vragen of die een kaart van de stad wil zien. Door de data leesbaar te maken voor machines is hij opener in de zin dat het makkelijker te combineren is. En dan zijn er meer dingen mee te doen.”

Natuurlijk is het nu alleen nog maar een techniek. Er moeten nog interfaces voor worden gemaakt. Maar er zijn al wel wat content management systemen die het automatisch genereren, zoals Drupal. “Met RDFa kun je je data op je eigen webspace houden, en dan kan ik het beschikbaar maken voor sites die data combineren. Dat doe ik veel liever dan dat ik mijn data aan anderen geef”, aldus Pemberton.

Standaarden

Standaarden zijn de volgende dimensie van openheid. “De standaarden moeten open zijn”, zegt Pemberton. “Het is niet genoeg dat centraal iemand zegt dat ze een standaard hebben, dat je die moet gebruiken en dat er niets meer aan te veranderen is. Een voorbeeld daarvan is html. Html zit als taal heel erg vast. Eigenlijk wil je een extensibele versie hebben waarmee je je eigen data en datastructuren kunt definiëren.” Pemberton doelt hiermee op XML. Dit geeft je de mogelijkheid om formaten uit te breiden. Het is een heel open manier en je kunt dat zelf doen. Met de goede aanpassingen moet dat bewerkbaar zijn in alle browsers.

XML zit niet vast. Het is heel makkelijk om de data eruit te halen en te transformeren naar een ander formaat. De ontwerpers van XML hebben er over nagedacht hoe dat moet en hebben er ook de tools voor gemaakt, aldus Pemberton. “XML is een niveau hoger dan html. Met gebruik van XML kun je formaten definiëren”, zegt hij En dan gaat het bijvoorbeeld om XForms, waar Steven Pemberton ook aan werkt. “XForms is een formaat dat formulieren beschrijft voor op het web. Maar het beschrijft niet vast hoe het er precies uit moet zien. Er staat niet wat voor button te zien is, of dat het gebeurt met een dropdownmenu. Maar er staat dat een bepaalde knop je een ding uit een lijst laat selecteren. En hoe je dat op het scherm brengt staat beschreven in een stylesheet. Het document zelf bevat dus de informatie die nodig is om het formulier te laten zien, zonder het vast te leggen op een bepaald device of schermgrootte.

Het voordeel hiervan ligt voor de hand. “Ik heb laatst gehoord van een sociale website die negen of tien verschillende systemen heeft om hun content naar de verschillende devices te sturen. En dat is natuurlijk heel veel werk. Met XForms kun je zoiets invoeren en dan automatisch laten transformeren naar de verschillende devices met behoud van informatie. En dan is er geen kans dat de dat op de verschillende devices niet consistent zijn met elkaar.”

Gelaagd

Pemberton vindt de gelaagdheid sowieso een mooie manier om het web open te houden. De functionaliteit moet wat hem betreft op veel meer manier uit elkaar getrokken worden en ondergebracht worden in verschillende lagen. Een heel goed voorbeeld hiervan is css. “In het begin was html ook een markuptaal. Maar css laat je dat er helemaal uitnemen, zodat het document alleen de content bevat. De presentatie zet je dan in een andere laag, in dit geval css. Maar het is niet ondenkbaar dat er ooit een nog betere stylesheet taal komt. En die kun je dan gaan gebruiken zonder dat je aan de html hoeft te komen.”

Maar css gaat Pemberton nog lang niet ver genoeg. “We hebben nog ver te gaan in dit opzicht. We moeten het web nog veel verder opdelen in laagjes om het geheel krachtiger te maken, zonder dat we steeds opnieuw de content moeten schrijven. Op die manier is het ook heel makkelijk om veranderingen aan te brengen. Veranderingen in de ene laag hebben namelijk geen invloed op de andere. Zo maak je ook veel minder makkelijk fouten. En verder kan je de delen aan de experts op de verschillende gebieden geven. Je kunt je stylesheet geven aan je ontwerper en je content aan je auteurs. Die twee groepen hoeven niet met elkaar te praten behalve op een heel simpel niveau. Dus dan zijn de experts bezig met hun eigen deel, zonder dat ze in elkaars vaarwater hoeven te komen.”

Bron: Techworld