"Tweens met recht digitale generatie", staat er boven het persbericht. Het bericht trekt de aandacht en dat is niet alleen dankzij het jeukwoord 'tweens'. Volgens de e-mail zijn jongeren tussen de negen en vijftien ('tweens' in het vreselijke marketingjargon van de opsteller van het persbericht, de jongerensite Kaboem.nl) namelijk duidelijk verschillend van voorgaande generaties. De 'tweens' van vandaag zijn een 'digitaalvaardige generatie' en dat in tegenstelling tot oudere generaties.

Sommige open deuren kun je blijkbaar niet hard genoeg intrappen. Kinderen hebben al sinds jaar en dag de naam dat ze zo handig zijn met apparaten waar volwassenen na zes keer uitleggen nog steeds niets van snappen. In de tijd dat ik zelf tussen de negen en vijftien was (opa vertelt), werd ook altijd al geroepen dat mijn generatie zoveel beter met computers, videorecorders en God weet wat nog meer voor moderne apparaten kon omgaan. Toen ik in de eerste klas van de middelbare school 'computerles' kreeg, was degene die er het minste van snapte de docente.

Kinderen zijn gemiddeld gewoon wat leniger van geest dan bejaarden en daarom eerder geneigd om nieuwe technologieën te omhelzen. Dat is nu zo, dat was in mijn jeugd zo en in de steentijd was het waarschijnlijk ook al zo.

Sterker nog: bij andere diersoorten kunnen we precies dezelfde patronen waarnemen. Zet in een kooi met chimpansees een machine neer waaruit een banaan komt rollen als je een paar handelingen uitvoert en de eerste chimpansee die de machine doorgrondt, is een jonge chimpansee (waarna een oude chimpansee de banaan afpakt natuurlijk, maar dat is een ander verhaal).

Hoe is de Kaboem.nl eigenlijk tot zijn bevindingen over de 'digitaalvaardige tweens' gekomen? Door onderzoek. De bezoekers van Kaboem.nl konden een online vragenlijst invullen over hoe vaak ze op internet zitten et cetera.

Een opmerkelijke onderzoeksmethode. Kaboem.nl concludeert op basis van onderzoek onder kinderen die op internet zitten (want daar moest de vragenlijst worden ingevuld) dat kinderen vaak op internet zitten. Het is een beetje alsof je op zondagmiddag bij de Kuip gaat vragen van welke voetbalclub mensen fan zijn, en vervolgens tot de conclusie komt dat 98 procent van de Nederlanders voor Feyenoord is.

De statistische valkuil waarin Kaboem.nl met zijn onderzoek is getuimeld, kom je in mindere of meerdere mate tegen bij bijna elk opinieonderzoek dat via internet wordt uitgevoerd. Hoewel internet steeds meer een dwarsdoorsnede van de samenleving wordt, zijn jongeren, mannen, rijken en hoogopgeleiden nog altijd oververtegenwoordigd. Professionele onderzoeksbureaus proberen daarvoor te compenseren, maar dat is niet eenvoudig.

Dat bleek wel bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen, in januari 2003. Het NIPO en Maurice de Hond die voor hun enquêtes gebruikmaken van internetpanels, deden het slechter dan het bureau Interview-NSS dat op telefonische enquêtes vertrouwt. Het NIPO en Maurice de Hond zaten er bij hun laatste peilingen voor de verkiezingen respectievelijk twaalf en veertien zetels naast, Interview-NSS zes.

Toch nemen steeds meer onderzoeksbureaus hun toevlucht tot internet. Een paar duizend mensen een online vragenlijst laten invullen, is nu eenmaal een stuk goedkoper dan een blik studenten opentrekken die mensen tijdens etenstijd moeten opbellen.

Bovendien worden ook telefonische enquêtes steeds onbetrouwbaarder. Dat heeft verschillende oorzaken. Eén verklaring is dat het aantal huishoudens met een vaste-telefoonaansluiting (ooit bijna 100 procent) al jaren afneemt.

Een andere reden is dat steeds minder mensen bereid zijn om aan telefonische enquêtes mee te doen. Als je wekelijks opdringerige marketeers aan de lijn krijgt, neemt de bereidheid om mee te doen aan een telefonische opiniepeiling snel af.

Veel mensen doen alleen nog maar mee aan peilingen over onderwerpen die ze interessant vinden. Iemand die geen aflevering van Studio Sport overslaat, is eerder geneigd om wat vragen over sport te beantwoorden, terwijl iemand die uitgesproken meningen over de politiek heeft, waarschijnlijk sneller zal vertellen op wie hij gaat stemmen. Fnuikend voor de betrouwbaarheid van het onderzoek.

Hoewel mensen steeds meer communicatiemiddelen tot hun beschikking hebben, wordt het paradoxaal genoeg steeds moeilijker om uit te vinden wat al die mensen ergens van vinden.

Voor wie denkt dat dat erg is: ik zie wel degelijk een lichtpuntje. Soms kan het namelijk een hoopgevende gedachte zijn dat opiniepeilers er steeds vaker naast zitten. Zeker op het moment dat uit zo ongeveer elk Amerikaans opinieonderzoek blijkt dat Bush de verkiezingen gaat winnen...