Als we aan evolutie denken, denken we aan de miljoenen jaren die er tussen hebben gezeten dat verschillende generaties van onze voorvaders die zich eerst voortbewogen op handen en voeten (of poten), toen ineens rechtop liepen. Of aan de miljarden jaren die er zaten tussen de tijd dat vissen in de zee zwommen en de eerste amfibieen zich op land wierpen en wisten te overleven.

Daarmee krijg je de onterechte indruk dat evolutie een traag en haast onmerkbaar proces is, dat in onze korte tijd op aarde niet relevant is.

Dat komt doordat mensen het achterliggende concept niet goed snappen.

Er zijn voortdurend evolutionaire processen aan de gang, en die zijn hoogst merkbaar en relevant. Zo is bijvoorbeeld de haring in de Noordzee in de afgelopen decennia sterk geëvolueerd. Haring nu is maar liefst 40% kleiner dan de haring waar de generatie van mijn ouders op mijn leeftijd mee te maken had. Even naar de menselijke schaal: dat betekent dat we allemaal de lengte van een gemiddeld kind van vijf a zes jaar zouden hebben.

Waarom is dat effect zo dramatisch? De haringen zijn niet ziek geworden, en evenmin is er sprake van een andere biologische of chemische oorzaak. Er is geen radioactiviteit die ervoor zorgt dat de vissen collectief gemuteerd zijn. De Noordzee is niet veel veranderd en de vissen ook niet, daar ligt het allemaal niet aan. De oorzaak ligt bij de techniek: wij vissen zeer efficiënt met netten met een bepaalde maasgrootte. Al sinds we vissen is bekend dat je de jonge vissen niet moet meevangen: je hebt nauwelijks wat aan dat kleine grut en het jaar erop heb je een tegenvallende opbrengst. Immers, de kleine visjes zouden dan groot zijn geweest, maar je hebt ze vroegtijdig uit het leven gehaald waardoor er minder over is.

Vissen doen we al eeuwen, maar we zijn er nu met sleepnetten echt goed in geworden. En dan wordt evolutie direct zichtbaar. De mechanische tegenstander vist namelijk niet alle vissen eruit: alle van natuurlijk veel kleinere volwassen vissen ('dwergen') die kleiner zijn dan de wettelijk voorgeschreven mazen, overleven zelfs de zwaarste overbevissing. Zij krijgen nakomelingen, die dankzij de hun doorgegeven genen meestentijds ook dwerg zullen zijn. Hun leeftijdsgenootjes gaan de schappen van de winkel in, terwijl zij vrolijk rond blijven zwemmen.

Letterlijk "overleving van de best passende" (je hoort nogal eens dat mensen de kreet "survival of the fittest" koppelen aan de grootste en sterkste exemplaren, maar lichamelijke fitheid is niet wat daarmee bedoeld wordt). In dit geval betekent 'best passend' dwergen, een volgende keer weer wat anders. Ook dat andere net, het internet, stuurt de evolutie van de mens op een bijzondere krachtige manier.

Het internet geeft een deel van onze wereldbevolking andere kansen dan de rest. Mensen die comfortabel zijn bij 70 uur in de week stil op een stoel zitten, hebben het gemakkelijker dan rondstuiterende adrenalinekanonnen. Hoe de aanwezigheid van het internet uiteindelijk precies uitwerkt op de mensheid, is me nog niet precies duidelijk - het is natuurlijk niet zo dat iedereen die niet op het internet 'past' acuut uitsterft. Wat dat betreft vormt het net een veel minder rigoureus filter dan bij die vissen. Maar het kan snel gaan.

In zekere zin zijn we allemaal androïden aan het worden, waarbij het internet een stuk externe hersenen is dat we met wisselende nauwkeurigheid kunnen aanspreken. Net als het lichaam van een danser, zwemmer of bouwvakker afwijkt qua spiervorming van de gemiddelde mens door zijn beroep, ontwikkelen volgens mij de hersenen van mensen die op internet zijn aangesloten en er intensief gebruik van maken zich anders dan bij de rest van de wereld.

Je kunt dankzij internet makkelijker overgewicht of geurproblemen hebben, en toch wat doen met je leven dat recht doet aan je 'capaciteiten' - of eigenlijk de capaciteiten van jou en het internet samen. Voor sommige mensen is een hogere opleiding om bijvoorbeeld persoonlijkheidstrekken (faalangst, prestatiedwang, autoriteitsproblemen, autisme) niet weggelegd. Dan kan de net-op-tijd kennis via websites en zoekmachines als Google een wereld van verschil betekenen. De genetische aanleg om altijd iedereen een plezier te willen doen of juist te willen bekvechten leidt er misschien toe dat sommige mensen hun tijd met nog meer geklets verdoen - er is altijd iemand online.

De extra hersenkwab die het internet is en de manier waarop je in staat bent om het te gebruiken bepalen steeds meer je rol in de samenleving.

En alles is evolutie. Het kan dus goed dat we over vijftig jaar er allemaal uitzien als PHP-programmeurs, Linux-sysadmins en telefonistes.

Of juist niet. Evolutionair succes zit in hele rare hoekjes.