De looptijd voor het programmabureau Nederland Open in Verbinding (NOiV) loopt deze maand af, en wordt niet verlengd. De organisatie die overheidsgebruik van open standaarden en open source moet bevorderen en ook controleren, “stopt met de stimulerende en ondersteunende taken". Dit valt te lezen in de derde en laatste voortgangsrapportage over het NOiV. Minister Maxime Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft dat afscheidsrapport nu aangeboden aan de Tweede Kamer.

Gebrekkige uitvoering

“Het beleid voor open standaarden en open source software blijft van kracht na 2011. De uitvoering door (mede)overheden gaat door", aldus het rapport. Dat is ook nodig, want het ministerie stelt dat vooral kleine gemeenten nog moeite hebben om de actielijnen van NOiV consequent uit te voeren.

Daarin is sinds vorig jaar weinig vooruitgang geboekt: het in gebreke blijven van de kleinere gemeenten is al geconstateerd in het monitorrapport 2010, staat in dit eindrapport 2011. Ook in 2009 bleek al dat de meeste gemeenten open standaarden negeren.

Gemeentegeld

Voor gemeenten wordt nu dan ook 104 miljoen euro uitgetrokken. Dat bedrag dient echter niet alleen voor de NOiV-doelen, maar voor de resultaatafspraken die het kabinet heeft gemaakt in het Nationaal Uitvoeringsprogramma (iNUP). Dat eerder al ingeperkte en officieel bekritiseerde overheidsplan voor onder meer digitale dienstverlening aan de burger loopt van 2011 tot 2015.

“Één van de twintig resultaatafspraken gaat over verdere adoptie van open standaarden en open source software", merkt het nu gepubliceerde rapport zelf op. Het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING) krijgt hierbij 28 miljoen euro. Dat ict-adviesorgaan voor gemeenten moet die overheden helpen de resultaatsafspraken van het iNUP na te leven. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ziet daar de komende jaren op toe.

De uitvoering van de NOiV-doelen voor stimulering van open overheids-ict wordt nog verder versnipperd. Uit onderzoek naar de werking van het actieplan blijkt dat “een kennisfunctie voor de implementatie van specifieke open standaarden gewenst blijft". Daarbij wordt er gekeken naar DigiD-beheerder Logius en KING, die twee instanties “hebben op dit gebied een voorbeeld- en kennisfunctie."

'Wel resultaat'

De overheid stelt wel dat het NOiV resultaat heeft geboekt. De belangrijkste daarvan is dat het gebruik van open standaarden en open source-software een onomkeerbaar proces is geworden. Die conclusie is gebaseerd op het rapport NOiV Monitor 2010 en extern onderzoek dat afgelopen zomer is uitgevoerd door de Lysias Consulting Group.

Daarna komt de constatering dat de acceptatie en ingebruikname van open standaarden en open source-software een kwestie van lange adem is. Dat “is en blijft langdurig proces omdat overheidsorganisaties hun eigen werkprocessen moeten aanpassen om open ict te benutten." De achterlopende kleinere gemeenten worden als concreet voorbeeld genoemd.

Open source ondergesneeuwd?

Een derde 'resultaat' wat wordt toegeschreven aan het NOiV is dat het overheidsprincipe 'open standaarden is de norm' van kracht blijft. Open source wordt hierbij niet genoemd. Anderhalf jaar geleden is al naar buiten gekomen dat open source het ondergeschoven kindje dreigt te worden.

Het opheffen van het NOiV doet volgens de overheid geen afbreuk aan het principe vóór open standaarden. Het afscheidsrapport verwijst naar het “robuuste en transparante proces" dat is ingericht door het College Standaardisatie voor open standaarden. Een slag om de arm is dat dat selectieproces is voor open standaarden die overheidsbreed worden toegepast én “die er toe doen". Het is daarbij niet duidelijk wat dat laatste criterium precies inhoudt.

Open standaarden kiezen

Wel vermeldt het rapport dat er behoefte is aan “aansprekende voorbeeldprojecten", om die dan op beperkte schaal verder uit te voeren. Ook is het “gewenst" dat de (mede)overheden ieder voor zich verklaren welke open standaarden voor hen prioriteit hebben. Die prioriteit moet worden bepaald aan de hand van twee doelen: het realiseren van interoperabiliteit en het onafhankelijker zijn van ict-leveranciers.