In Zuid-Afrika noemen ze dat apartheid, in Nederland ben je juist geëngageerd als je theaterpubliek opdeelt in domme klootzakken en mensen die met hun vuist onder de kin vier minuten angstig naar je zitten te kijken of er wel gelachen mag worden.

Want zo'n voorstelling was het. Een zaaltje vol volgelingen - Freeks glijmiddel - en Freek zelf die een voorstelling lang verbaal aan het swaffelen was. Het waren eigenlijk meer kerkdiensten. Een doodsbang zondig publiek. Ze hadden een week eerder per ongeluk een keer gelachen om André van Duin. Als hun wrekende god in zijn zelf-genaaide kleding daar maar niet achterkwam. Freek noemde het een voorstelling. Ik vond het masturberen met 200 man er bij.

Nu Freek echt lekker royaal wil klaarkomen mogen we weer met veel op komen draven. Niet geheel toevallig heeft Freek een hele voorstelling geschreven over sport, opium van het volk. Sport brengt massa's in beweging. Hij zal wel iets af moeten betalen.

Freek schuurt zich al jaren lang op een gênante manier tegen de voetballerij aan. Hij vindt het heerlijk om tussen oud-voetballers te verkeren. Dan maakt het Freek opeens niet zo veel uit wie er om hem lachen. Sjaak Swart, die nog geen zes woorden recht achter elkaar kan zeggen, zo iemand heeft Freek dan wel weer graag lachend naast zich.

Uiteindelijk, en dat is de rode draad in het leven van Freek, gaat het allemaal om bewondering. De lach. De hand door zijn haar. De proleten moeten hem een leuke gozer vinden maar ook atoomgeleerden moeten hem serieus nemen.

Ik was er bij toen Freek de Jonge Ajax voor jaren terugwierp toen hij als stadion-speaker leuk meende te moeten doen toen Austria Wien op visite was. Met zijn vreselijk voorspelbare grapje over Simon Wiesenthal creëerde hij een zo vijandige sfeer, dat Ajax fans een ijzeren staaf in de rug van een doelman gooiden. Humor was dat. Freek deed gewoon wat in hem opkwam.

In die tijd deed Freek er nog toe. Sinds gisteren is Freek definitief de woordvoerder van het Alzheimer-cabaret. In een interview in de VPRO gids prevelt hij, tussen zijn aan elkaar gekleefde oude mannenlippen door, wat ideetjes over de internet-generatie. Voor het gemak maar gelijkgesteld aan de GeenStijl bezoekers en reageerders.

Als een ding duidelijk wordt uit het interview is het dat Freek óf heel lui is geworden of het gewoon allemaal niet meer kan bijbenen. Ik denk het laatste. Een citaat uit het interview: "Kennelijk hebben we nog een voldoende repressief apparaat om er voor te zorgen dat ze in hun huizen blijven, maar God hoede ons voor het moment dat ze de straat opstormen."

Repressie. God. De straat opstormen. In hun huizen blijven. In Freek zijn hoofd is het meteen weer Kristallnacht als hij iets niet begrijpt. Wilders en Verdonk, hij zet ze in diverse interviews weg als niet van zijn niveau, maar veel verschilt Freek niet van deze politici.

Als Freek iets niet begrijpt, in dit geval de online dynamiek, moet het worden geneutraliseerd. Freek geeft Het Gevaar voor het gemak een naam. GeenStijl. De Kutmarokkanen van het internet. De Telegraafjongens die onze roomblanke dochters willen onteren. Freek zet reageerders van GeenStijl bewust neer als zwarthemden die door de straten stromen om daar dood en verderf te zaaien. Het is stemmingmakerij van een krampachtig aanklampende ex-komiek.

Om een variant op een eigen grap van Freek te gebruiken: Freek is inmiddels zo tragisch infantiel, dat als de horde door de straten stroomt ik heel hard zal roepen: hij verbergt zich in het achterhuis!