Een en ander blijkt uit een onderzoek van het Computer Security Institute in San Francisco, dat elk jaar in samenwerking met de federale recherche (FBI) wordt uitgevoerd. Daarbij worden de medewerkers van bedrijven, overheidsdiensten, universiteiten en financiële instellingen (zoals banken) ondervraagd die belast zijn met de beveiliging van computernetwerken. Het onderzoek richt zich alleen op de Amerikaanse situatie. Vorig jaar kreeg 64 procent van de ondervraagden (520 in totaal) te maken met beveiligingsproblemen, die varieerden van inbraken tot pure sabotage. In 1996 had nog niet de helft (48 procent) last van hackers en aanvallen op het netwerk. Van de beveiligingsspecialisten die hinder ondervonden van zulke acties zegt bijna driekwart (72 procent) schade te hebben geleden: 46 procent kon of wilde vertellen hoeveel kosten ze hadden gemaakt om hun computersystemen weer op gang te krijgen. In totaal bedroeg de schade ruim 136 miljoen dollar – een fikse stijging ten opzichte van 1996, toen de totale kosten op 100 miljoen dollar werd geraamd. Experts noemen dit bedrag "het topje van de ijsberg": veel bedrijven durven uit angst voor publiciteit – en het verlies van klanten – geen melding te maken van aanvallen op hun netwerken. Opvallend detail in het onderzoek van het Computer Security Institute is de herkomst van de hackers en saboteurs: 44 procent komt uit het eigen bedrijf.