"Als ik het toen had kunnen rechtvaardigen, was een adresruimte van 128 bit mooi geweest, zodat we nu niet door het pijnlijke 20 jaar durende proces hoefden om van IPv4 naar IPv6 te gaan", vertelde Cerf vorige week aan een groep journalisten op een persconferentie in Heidelberg. Als het toen mogelijk geweest was, had Cerf ook graag asymmetrische cryptografie aan IP toegevoegd.

Niet in eindproduct

De adressering in IPv4, de eerste publiek gebruikte versie van het Internet Protocol, bevat een 32 bit adresruimte van numerieke waardes. Het werd al snel duidelijk dat dit zou betekenen dat het aantal mogelijke IP-adressen op een gegeven moment uitgeput zou zijn en daarom werd IPv6 gemaakt. Diverse regio's raken nu door de voorraad IPv4-adressen heen en de overstap wordt langzaamaan echt nodig.

128 bit adressen en asymmmetrische crypro zouden het nooit in het eindproduct hebben gered. "Ik betwijfel of ik een van de twee had kunnen bereiken", aldus Cerf, tegenwoordig internetevangelist bij Google. "Dus nu moeten we omkatten." De 128 bit-adressering zou toen niet realistisch hebben geleken, aldus de pionier, gezien de mind-set destijds. "Dat hadden we er niet kunnen doordrukken."

Omkatten

Er was begin jaren 70 wel een debat over het gebruiken van adressering met variabele lengtes, maar volgens Cerf werden voorstanders daarvan verslagen omdat er extra rekenkracht voor nodig zou zijn. "Omdat computers toentertijd zo duur waren, hebben we het plan verworpen."

Asymmetrische cryptografie begon pas net als concept te leven tegen de tijd dat de internetprotocollen in 1978 werden gestandaardiseerd. "Ik wilde niet alles gaan verbouwen, dus we probeerden het niet alsnog toe te voegen", zei Cerf. "Als ik terug kon gaan om PK-crypto toe te voegen, zou ik het waarschijnlijk wel proberen."