Het kwam voor vele experts als een verassing: de nieuwste iPhone en iPad gebruiken dezelfde processor. Dat is voor het eerst sinds de iPad 2 en iPhone 4S. Die twee iOS-apparaten uit 2011 gebruiken dezelfde A5-SoC (system on a chip). Sindsdien kwam er altijd een verbeterde X-versie (A6X) van de processor uit voor Apple’s tablet. Dat apparaat heeft immers een krachtigere grafische chip (GPU) en bredere geheugeninterface nodig voor het grotere beeldscherm (met Retina-resolutie).

Prestatiesprongen voorwaarts

Apple beloofde bij zijn presentatie van de iPhone 5S dat de A7-chip tweemaal zoveel CPU- en GPU-prestaties levert als voorganger A6. Maar Apple zei vervolgens ook bij de volgende presentatie dat de A7-chip in de iPad Air tweemaal zo snel is als de A6X in voorganger iPad 4. Dit terwijl de A6X weer tweemaal zoveel GPU-kracht belooft ten opzichte van de A6. Hoe is dat mogelijk als beide apparaten dezelfde chip gebruiken?

Het antwoord is gevonden door informaticus Anand Lal Shimpi, tevens eigenaar van techsite AnandTech. Hij ontdekte bij nader onderzoek dat Apple in de iPad Air een subtiele configuratie heeft toegepast op diezelfde krachtige A7-processor. Hoewel de hardware hetzelfde is, kan de A7-chip in de iPad Air een hogere kloksnelheid aan: 1.4GHz versus de 1.3GHz van de iPhone 5S.

Langer volhouden op volle snelheid

Een praktijktest toont bovendien aan dat onder extreem gebruik beide A7-chips na ongeveer twee minuten een verschil tonen. Op dat punt zakt het exemplaar in de iPhone 5S af naar ongeveer 1.0 GHz om oververhitting te voorkomen. Die in de iPad Air blijft veel langer stabiel op de hogere snelheid. Dit dankzij een grotere ‘thermal headroom’, oftwel het vermogen van het koelsysteem van een chip om meer warmte af te voeren.

(afbeelding via Ars Technica)