Een kamerlid strompelt hoestend binnen bij de dokter. Er loopt bloed uit oren, neus en het linkeroog. “Dokter, ik ben daarnet lelijk gevallen en ik geloof dat ik mijn pols gebroken heb”, rochelt het kamerlid. De dokter kijkt naar de pols en voelt er even aan. “Doet dit pijn?” “Gaat wel”, steunt het kamerlid. “Ik geloof dat het wel meevalt”, zegt de dokter, “Ik kan vandaag helaas geen röntgenfoto maken, want het digitale röntgenapparaat doet het vandaag niet.”

Het kamerlid zwaait heen en weer. “Het is waarschijnlijk een kneuzing, de verpleegkundige zal u een verband geven. Doet u het een paar dagen rustig aan en mocht de pols dan nog steeds pijnlijk zijn kom dan even terug”. Het kamerlid wankelt de spreekkamer uit, nog steeds bloedend uit oren, neus en oog. De dokter is al weer bezig met het dossier van de volgende patiënt, want doktoren hebben het nu eenmaal druk.

Het hierboven beschreven proces lijkt wel een beetje op de werkwijze van de Algemene Rekenkamer in de beantwoording van vragen die zijn gesteld door Kamerleden. De Kamerleden stellen als non-experts een vraag, en de Rekenkamer beantwoordt deze zonder de context van de vraag te analyseren of zich af te vragen of de genoemde symptomen wellicht onderdeel zijn van een breder probleem. In het net verschenen rapport worden de vragen netjes beantwoordt, overigens op basis van de meest minimale data. En dat is jammer, want het is juist de Rekenkamer die de mogelijkheid heeft zelf vast te stellen dat er wellicht een vraag achter de vraag zit. In plaats van een discussie te houden over 88 miljoen euro aan licentiegelden (minder dan 1% van de totale jaarlijkse licentiebestedingen) had de Rekenkamer ook de vraag kunnen stellen waarom dingen die in omringende landen wel kunnen niet lukken in Nederland. Is Nederland echt zo anders dan Finland, Duitsland, Frankrijk of Spanje?

Zoals hun collega's van het Centraal Plan Bureau al in 2009 deden had de Rekenkamer ook een kwalitatieve analyse kunnen maken van de macro-economische effecten van het in eigen hand nemen van softwarerealisatie. Dit als alternatief voor een jaarlijkse import van ruim 8 miljard euro uit (voornamelijk) de VS. De macro-economische vraag is alleen al relevant omdat de BTW en winstbelasting via inter-EU regels voor handelsverkeer voornamelijk terecht komt in de Ierse staatskas (ik ben niet noodzakelijk tegen het steunen van Ierland, maar dat kan vast efficiënter). Ook de cijfers van het SEO onderzoek uit 2004 zijn nog steeds indicatief genoeg om orde-van-grootte uitspraken te doen.

Als een van de door de Rekenkamer geraadpleegde experts ben ik bijzonder teleurgesteld dat men de minimalistische insteek heeft genomen. In een eerder onderzoek pakte de Rekenkamer ook niet echt door nadat men had vastgesteld dat de overheid geen goed inzicht had in haar ICT-uitgaven. Het is mij een raadsel waarom een onderwerp als ICT, waar zo veel zo vreselijk misgaat, niet veel dieper en strategischer wordt opgepakt. In mijn schriftelijke input aan de Rekenkamer heb ik daar vorig jaar al een voorzet voor gegeven. Voor diegenen die, net als dokters, heel druk zijn vat ik het hier nog even samen:

Beste Kamerleden, Nederland heeft als modern westers land toegang tot dezelfde kennis, technologie en vergelijkbare budgetten voor ICT als Duitsland, Frankrijk, Spanje en Finland. In al deze landen worden open source en open standaarden op grote schaal omarmd in de overheid. De werkzaamheden die de Nederlandse overheid uitvoert zijn eveneens in hoge mate vergelijkbaar met deze landen. Zeker de generieke aspecten zoals bijvoorbeeld kantoorautomatisering. De redenen dat Nederland 8 jaar na de oorspronkelijke, unanieme, vraag van de kamer nog niet verder is op dit gebied, kan dan ook aan niets anders worden toegeschreven dan aan de bestuurlijke cultuur en onze Atlantische politieke oriëntatie. Er is geen fundamentele reden waarom de behaalde resultaten van bovengenoemde landen niet in Nederland gereproduceerd kunnen worden, met name omdat deze landen het verkennende werk voor Nederland al hebben gedaan. In de afgelopen jaren zijn barrières die een migratie in de weg staan vaak tot randvoorwaarden verheven, in plaats van deze correct te identificeren als onderdeel van het probleem dat opgelost moet worden.

De kamer moet niet langer accepteren dat een hoge afhankelijkheid van een leverancier wordt aangevoerd als excuus om geen vooruitgang te boeken met het minder afhankelijk worden van die leverancier (zoals het kabinet dat deed in beantwoording van Kamervragen in 2004 en 2006 en 2008). De afhankelijkheid is het probleem dat aangepakt moet worden, niet een onveranderbare natuurwet waar de IT-afdelingen willoos slachtoffer van zijn.

De kamer moet niet langer accepteren dat een geuit gebrek aan technische of organisatorische kennis bij de 60.000 IT'ers van de overheid (en haar

leveranciers) als excuus wordt aangevoerd voor het gebrek aan vooruitgang. Het is ongeloofwaardig dat de Nederlandse overheid niet in staat zou zijn de resultaten van haar Europese collega's te repliceren. IT'ers en hun management die zelf aangeven niet te beschikken over de competenties om de zeer redelijke verzoeken van de volksvertegenwoordiging uit te voeren, dienen bijgeschoold of vervangen te worden. Incompetentie is reden voor ontslag, geen excuus voor werkweigering.

Natuurlijk zijn er problemen te verwachten bij het wegwerken van over decennia opgebouwde spaghetti van proprietary producten. Maar de meeste aangevoerde redenen om niet aan de slag te gaan met OSS & OS lijken erg veel op de argumenten van asbestleveranciers: “het is handig”, “we werken al heel lang zo”, “we zijn er aan gewend”, “dat andere ken ik nie”. Allemaal feitelijk correcte uitspraken, maar geen enkel excuus om niet te beginnen aan de oplossing. Als de overheid dat vanaf 2002 had gedaan, hadden de besparingen nu het bezuinigingsleed in onderwijs en gezondheidszorg ruimschoots kunnen compenseren.

De rol van Nederland in Europa lijkt voor wat dit dossier betreft gereduceerd te zijn tot afschrikwekkend voorbeeld hoe met niet moet. Jammer.