Dat meldt het ANP. KPN spande een kort geding aan tegen OPTA en de Nederlandse staat omdat het vindt dat kabelaars bevoordeeld worden in de strijd om triple play - het aanbieden van telefonie, televisie en internet in één pakket.

KPN vindt het oneerlijk dat de kabelbedrijven niet aan een aantal regels hoeven te voldoen, waaraan het telecombedrijf wel gebonden is. Doordat de kabelaars meer vrijheid zouden hebben, ontstaat volgens KPN een oneerlijke concurrentiepositie. Volgens het bedrijf resulteert deze situatie in een verlies van tienduizenden klanten aan de kabelbedrijven.

KPN-woordvoerder Bram Oudshoorn wilde nog niet inhoudelijk op de uitspraak ingaan. "Wij zijn het dossier nu aan het bestuderen, dus de reactie is nog in de maak", zo verklaarde Oudshoorn tegenover Webwereld.

OPTA-woordvoerder Edwin van der Haar is blij met de uitspraak. "We zijn niet verbaasd, het is geheel conform onze verwachtingen. We zijn er dus erg tevreden mee", zo verklaarde Van der Haar tegenover Webwereld.

"Het is goed om te lezen dat de civiele rechter vindt dat KPN niet deze weg had moeten kiezen omdat er genoeg wegen zijn via de normale bestuursrechtelijke route. Daarnaast zijn we er blij mee dat de rechter opmerkt dat het niet aannemelijk is geworden dat wij KPN op een hele vervelende manier behandelen of een uitzonderingspositie toekennen", aldus Van der Haar.

Directeur Rob van Esch, van de kabelbranchevereniging Vecai, is evenmin verbaasd. "Het is geen verrassing en het lijkt me een logische uitspraak", aldus Van Esch tegenover Webwereld. "Wij hebben altijd gezegd dat het niet alleen om de precieze regelgeving gaat, maar ook om wanneer die wordt toegepast. Het regelgevende kader wordt toegepast op basis van de machtspositie van de verschillende bedrijven, en blijkbaar wordt de positie van KPN anders beoordeeld dan die van de kabelbedrijven", licht Van Esch toe. "Zo is het spel en zo zijn de regels", concludeert de Vecai-directeur.

KPN heeft inmiddels laten weten in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak. Het telecombedrijf laat weten 'geen andere keus' te hebben dan het aanspannen van een kort geding, omdat 'de vele en versnipperde bestuursrechtelijk procedures bij NMa, OPTA en de bestuursrechter geen gelegenheid bieden om de kwestie van de ongelijkheid bij de rechter tot een uitspraak te brengen'.