In de zomer van 1956 organiseerde hij samen met andere computerwetenschappers in New Hampshire het 'Dartmouth Summer Research Project on Artificial Intelligence'. Pioniers zoals McCarthy, Marvin Minsky, Claude Shannon, Herbert Simon en Allen Newell bespraken er hoe menselijke intelligentie zou kunnen worden gesimuleerd.

Wat vijftig jaar geleden nog vooral toekomstmuziek en alleszins enkel een academische discipline was, wordt nu in alledaagse technologie gebruikt, ook al is het niet altijd met even goed resultaat. De vaak verguisde office-assistent Clippy in Microsoft Office is één voorbeeld die de meesten wel kennen. Te beginnen vanaf Office 97 tot Office 2002 kwam de virtuele paperclip te voorschijn wanneer hij dacht dat de gebruiker wel wat hulp kon gebruiken. De software maakte daarbij gebruik van Bayesiaanse algoritmes die op basis van vroegere ervaringen leerden wat je aan het doen was. Zijn suggesties waren echter niet altijd even behulpzaam en Clippy verdween dan ook uit Office.

De huidige e-mailprogramma's zoals Mozilla Thunderbird en server anti-spam software zoals Spamassassin gebruiken allemaal spamfilters gebaseerd op Bayesiaanse algoritmes. Het is allemaal een kwestie van kansberekening, gebaseerd op de eenvoudige stelling van Bayes: de waarschijnlijkheid dat een e-mail waarin bepaalde woorden voorkomen spam is, is gelijk aan de waarschijnlijkheid dat die woorden in spam voorkomen, vermenigvuldigd met de waarschijnlijkheid dat een willekeurige e-mail spam is, gedeeld door de waarschijnlijkheid dat die woorden in een willekeurige e-mail gevonden worden.

Door de spamfilter te 'trainen' op voorbeelden en aan te geven of ze spam zijn of niet leert de software na een tijdje wat met grote waarschijnlijkheid spammails zijn. Omdat de spamfilters helemaal niet naar de betekenis van de e-mails kijken, kan het wel eens zijn dat een e-mail die wij onmiddellijk als spam herkennen, niet herkend wordt door een spamfilter. De spammers weten dit natuurlijk en proberen heel wat 'gewone' woorden in hun e-mails te zetten. Al bij al werken de Bayesiaanse spamfilters echter verbazend goed.

Ook in games is de kunstmatige intelligentie heel wat vooruit gegaan de laatste jaren. In de first person shooter Fear maken de computerspelers intelligent gebruik van hun omgeving: ze besluipen je via een omweg, gooien tafels omver om achter te schuilen, werken samen met andere computerspelers en bedenken een nieuwe tactiek als ze niet in hun opzet slagen. Vergelijk dat eens met de klassieker Doom dertien jaar geleden waarin de monsters gewoon suïcidaal recht op je afliepen.

Mensenwerk

Niet alles loopt zo soepel. Op het vlak van automatische vertalers is er bijvoorbeeld nog heel wat werk aan de winkel. Probeer maar eens in Google Translate of in Babel Fish (Altavista) deze zin te vertalen naar het Frans: "The progress towards monetary union must be made concrete." Daar maakt het programma het hilarische "Le progrès vers l'union monétaire doit être accompli à béton." van. Laat je dit terug naar het Engels vertalen, dan krijg je iets compleet anders dan waarmee je begonnen bent.

De gratis automatische vertalers die je her en der op internet vindt, zijn echt nog met een korreltje zout te nemen. Zij kijken helemaal niet naar de betekenis van de zin en zetten woorden bijna letterlijk om in een andere taal in plaats van de bedoeling van de tekst te achterhalen. Zolang computers geen teksten begrijpen, blijft vertalen mensenwerk.

Kunstmatige intelligentie heeft ook zijn rages. Een vijftal jaren geleden was het begrip 'intelligent user agents' een hot topic. Deze slimme software zou ons leven heel wat aangenamer maken, maar tegenwoordig hoor je daar niets meer van. De media kondigden aan dat we software zouden kunnen draaien die op eigen kracht op zoek zou gaan naar de goedkoopste aanbieding om je reis te boeken. Als je dit bevestigde, zou de intelligente user agent, die onder andere weet dat je graag een kamer met zicht op zee hebt, de rest vanzelf regelen samen met de intelligente user agent van het reisbureau. Je rekeningen beheren, automatisch je koelkast bijvullen en actief op zoek gaan naar websites die je zouden interesseren, dat allemaal zou de intelligente user agent doen. Voorlopig blijft het toekomstmuziek.

Het probleem met de term 'kunstmatige intelligentie' is dat we een bepaald gedrag pas intelligent noemen als een computer het niet kan uitvoeren. Vanaf het moment dat iemand een computerprogramma heeft geschreven dat een bepaalde taak kan uitvoeren, noemen we het niet intelligent, want dan is het 'gewoon maar rekenwerk'.

In die zin bestaat kunstmatige intelligentie eigenlijk niet, je kan het beschouwen als een recht-voor-de-raap (al is het vaak complexe) toepassing van wat kansberekening en symbolenmanipulatie. Twintig jaar geleden zouden computergebruikers de huidige computerspelers in games intelligent noemen omdat ze niet altijd domweg hetzelfde doen. Nu kijken we daar echter niet meer van op. Zo is het met veel ai-technologie: het wordt enorm vaak gebruikt, maar we merken het niet meer op. Toch zijn al die technieken niet vanzelfsprekend. Het is zoals Mark Weiser ooit schreef in Scientific American: "The most profound technologies are those that disappear."