Er is al tijden een discussie gaande bij browsersmakers en internetgebruikers over de waarde van de statistieken van StatCounter en NetApplications. Die meetdiensten komen maandelijks met cijfers over onder meer de meestgebruikte browsers. Het enige feit in de discussie dat kan worden vastgesteld, is dat beide browser-meters al jaren totaal verschillende methodes hanteren.

Discussie naar nieuw level getrokken

Dit verschil leek tot voor kort geen issue, maar inmiddels wordt de discussie op een ander niveau gevoerd. De reden daarvoor is een actuele. Volgens één van de twee meetdiensten is Microsofts Internet Explorer voor het eerst van de troon gestoten. Google's Chrome zou nu de nieuwe marktleider zijn. Je raadt het al: Microsoft en Google hebben zich nu gemengd in de discussie.

In de twist over browseraandelen en meetmethodieken baseert elk van de twee bedrijven zich vanzelfsprekend op de meetdienst die in het eigen voordeel heeft gemeten. Na het nieuws dat IE voor het eerst in de internetgeschiedenis is gepasseerd door een andere browser kwam direct diezelde dag de eerste reactie. Van - natuurlijk - Microsoft.

Google noemt Chrome de beste

Marketingdirecteur Roger Capriotti van Microsoft bracht een uitvoerig betoog waarin hij de gebruikte methodes van StatCounter subtiel in twijfel trok. Capriotti beweert namelijk dat het meten van browsergebruik op basis van unieke bezoekers de meest accurate manier is. Daar kun je het mee eens of oneens zijn, maar een mening blijft het.

Een reactie van Google kon niet uitblijven. Deze week op het eigen ontwikkelaarscongres I/O sloeg de Chrome-maker zich op de borst. Tijdens de openingskeynote stelde vice-president Sundar Pichar dat “Chrome de meest populaire browser is volgens alle tellingen en alles wat wij zelf hebben vastgesteld".

Dat laatste - van de eigen vaststelling - kan wel degelijk het geval zijn. Toch moet het ook bij Google onderhand wel duidelijk zijn dat de metingen door externe partijen flink uiteen lopen. Dus het eerste deel van Pichars uitspraak is wat bezijden de waarheid.

Wat zijn dan de verschillen in meetmethodes, en wat maakt dat uit? Lees verder op pagina 2.

Sterk oneens met CIA-data

Gekeken naar de verschillende meetmethodes die StatCounter en NetApplications hanteren, kan een discussie ook niet uitblijven. Webwerelds zustersite Computerworld.com publiceerde vorige maand een artikel waarin de twee belangrijkste verschillen aan de kaak werden gesteld.

Kort door de bocht kun je stellen dat StatCounter metingen baseert op pageviews in plaats van unieke bezoekers. NetApplications daarentegen gaat uit van zwaartemetingen per land, wat weer gebaseerd wordt op verzamelde en openbare data van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA. Het door NetApplications gemeten browsergebruik wordt dan onder meer gerelativeerd aan de bevolkingsgrootte van een land.

Vanzelfsprekend verdedigen beide meetdiensten hun respectievelijke methodes. Een woordvoerder van StatCounter meldt aan Webwereld dat het bedrijf het sterk oneens is met de CIA-data omdat die organisatie onder meer data van mobiel internet met dat van desktops combineert. Er is volgens StatCounter geen bron van informatie die up-to-date statistieken van internetgebruik per land bijhoudt en deze onderverdeeld in mobiel en niet-mobiel.

De mate van meten

Een ander twistpunt is dat van de mate van meten. “Een groot verschil tussen ons en NetApplications is steekproefgrootte. Wij meten meer dan drie miljoen websites wereldwijd. NetApplications meet er 40.000. Grotere samples leiden over het algemeen naar meer betrouwbare resultaten", aldus zegsman Ronnie Simpson.

Netapplications is het daar duidelijk niet mee eens. “40.000 websites is geen kleine steekproefgrootte. Wij hebben meer dan genoeg data om onze statistische foutmarges nabij de nul te houden. Wij bezorgen onze data live aan betaalde klanten. Om het systeem snel te houden, verwijderen wij miljoenen accounts omdat deze niet genoeg traffic genereren om het marktaandeel te beïnvloeden", aldus woordvoerder Vince Vizzaccaro van NetApplications.

Slag om de arm

Vizzaccaro gaat een stapje verder door te stellen dat StatCounter nieuw en mediagericht is. “Statcounter is betrekkelijk jong wat betreft de rapportage van data over marktaandelen. Ik denk dat het eerlijk is om te zeggen dat StatCounter meer gericht is op het vergelijken van elkaars cijfers dan andersom. Accuraat zijn is veel belangrijker voor ons dan nieuws maken of verslaggevers tevreden houden."

Conclusies: beide meetdiensten zullen het nooit eens worden en voor beide methodes valt iets te zeggen. Ligt de waarheid dan in het midden? Een ding is zeker: bij het gebruik van cijfers van beide diensten zullen zowel bedrijven en internetgebruikers als de twee meetdiensten zelf nog een slag om de arm houden.

Het is dus verstandiger om naar de algemene trends kijken, die wel informatie kunnen verschaffen bij de diverse veldslagen die nog zullen volgen in de lopende browseroorlog. Daarbij staat immers veel op het spel; voor de browsermakers maar ook voor de gebruikers.