Volgens de organisaties, verenigd in de Global Internet Liberty Campaign ( GILC), zal de aanname van het cybercrimeverdrag leiden tot aantasting van de privacy en een 'drastische inperking van de vrije stroom van informatie'. Bovendien zouden Europese politiediensten te veel bevoegdheden krijgen. De GILC verzet zich onder andere tegen de bepalingen in het verdrag die internetproviders verplichten de activiteiten van hun klanten bij te houden. Volgens de GILC is deze eis in strijd met de 'Data Protection' richtlijn van de Europese Unie. Bovendien zou een van de artikelen waarin de aftapverplichting voor internetproviders wordt vastgelegd, in strijd zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook het feit dat iemand in het ene land vervolgd kan worden voor een strafbaar feit in een ander land, is de GILC een doorn in het oog. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat iemand wordt opgepakt voor iets wat in zijn eigen land niet verboden is. Maurice Wessling van Bits of Freedom, een van de organisaties die de brief van de GILC ondertekend heeft: "Dat betekent dat je in het vervolg ook moet weten wat voor wetten ze in Oekraïne hebben." De 41 landen die zijn verenigd in de Raad van Europa, zijn al sinds 1997 bezig met het opstellen van het cybercrimeverdrag. Met het verdrag hopen de landen hun wetten op het gebied van computercriminaliteit te harmoniseren. Het gaat daarbij onder meer om de aanpak van hackers, makers van computervirussen en verspreiders van kinderporno. Al vanaf het begin is er veel kritiek op de ontwerpverdragen waarmee de Raad van Europa komt. Het meest recente ontwerp van vorige week, is dan ook al de versie 24.2. Volgens de GILC zijn de meest recente wijzigingen in het verdrag meer ingegeven door vrees voor kritiek van de Verenigde Staten, dan door een oprechte interesse in fundamentele burgerrechten. Achterdocht Ook de manier waarop de Raad van Europa te werk gaat bij het opstellen van het verdrag is de burgerrechtenorganisaties een doorn in het oog. De bepalingen van het verdrag worden achter gesloten deuren bekokstoofd, zonder dat maatschappelijke organisaties een bijdrage kunnen leveren aan de discussie. "Pas in de laatste fase worden non-gouvernementele organisaties, zoals privacygroepen, betrokken. Er is nooit een echt consultatieproces geweest", aldus Wessling. Volgens Wessling lijkt het er nu op dat de definitieve versie van het verdrag 'rondom de jaarwisseling' klaar zal zijn. "Er is grote druk, met name vanuit Nederland, om vaart te zetten achter het voltooien van dit verdrag. Met de Telecomwet, die providers verplicht om hun netwerken aftapbaar te maken, lopen we natuurlijk al voorop." "In Nederland hebben we veel vertrouwen in de overheid, en voor het grootste gedeelte is dat ook terecht. Maar in andere landen, waar het verdrag ook van kracht wordt, staan mensen een stuk achterdochtiger ten opzichte van de overheid. En niet zonder reden", aldus Wessling.