Backbase heeft weliswaar een technologische voorsprong op Dojo, maar tegen de combinatie van open-source en de twee miljardenbedrijven is lastig op te boksen. Want alle idealistische gedachten ten spijt: de echte waarde van open-sourcesoftware ligt in de steun van geloofwaardige bedrijven.

Zowel de Dojo toolkit als Backbase helpen ontwikkelaars om Ajax-applicaties te bouwen. Ajax is de motor achter de Web 2.0-hype. De technologie stelt sitebouwers in staat ongezien alvast data naar de computer van een bezoeker te versturen. Daardoor reageren websites veel sneller en gedragen zich meer als een desktop-applicatie dan een webpagina. Alledaagse voorbeelden van Ajax technologie vinden we bij Gmail, Flickr, en Digg.com.

De kans is minimaal dat een eenvoudige consument ooit in aanraking komt met Dojo of Backbase. Maar voor Sun en IBM is het belangrijk om een applicatie in huis te hebben waarmee hun klanten Ajax-applicaties kunnen ontwerpen.

Om diezelfde reden ondersteunt de hele wereld - van Microsoft tot Red Hat - binnenkort virtualisatie software die gebaseerd is op de open-source Xen-technologie.

Xen is weliswaar geboren aan de universiteit van Camebridge in Engeland, maar daarbij wordt zelden vermeldt dat Intel het project al in een zeer vroeg stadium heeft gesponsord en er een fundamentele bijdrage aan heeft geleverd.

Vroeger zou Intel hebben geprobeerd om er met brute kracht een standaard van te maken. Maar met een open-sourcelabel ziet Xen er opeens een stuk vriendelijker uit en heeft het opvallend eenvoudig tot een standaard geschopt zonder dat iemand nors in een hoekje is beland.

Standaarden gingen vroeger om politieke spelletjes, over wie waar controle over had. Maar in het theoretische geval dat Sun Microsystems zich niet meer kan vinden in de richting die Xen inslaat, kan de serverfabrikant nu simpelweg een eigen versie beginnen. En hetzelfde geldt voor een eindgebruiker die verlegen zit om een bijzondere functionaliteit.

Open-source gaat niet over gratis software, of de mogelijkheid om met de broncode te knutselen. Het gaat er ook niet om minder bugs en beveiligingsgaten.

Zelfs betere open-sourcesoftware kan nog steeds het loodje leggen. Zo zagen we eerder dit jaar dat Red Hat de (open-source) applicatieserver van JBoss kocht, terwijl de Linux-ontwikkelaar al twee jaar lang een eigen applicatieserver op de markt had. De Red Hat software was technisch superieur aan die van JBoss, maar er waren geen klanten voor te vinden, bij gebrek aan steun van voldoende geloofwaardige grootmachten.

Andersom kan een commerciële ontwikkelaar een van die punten omarmen en een applicatie bouwen die met succes inspeelt op de behoefte van een bepaalde nichemarkt. Denk maar aan de Opera-browser, Apple's OS X of de eindeloze verzameling piepkleine softwarebedrijfjes die succesvol zijn, maar het nooit tot een Oracle of Microsoft zullen schoppen.

Open-source glanst pas echt wanneer een applicatie de steun krijgt van een consortium van geloofwaardige dienstverleners. Voor hen biedt open-source een ronde tafel waaraan iedereen zijn zegje mag doen, en waar het niet uitmaakt of je voor IBM werkt of vanuit de Amsterdamse Watergraafsmeer een Ajax-tool ontwikkelt.

Als Backbase verstandig is, schuiven ze snel aan.