Wie 77 dollar per jaar betaalt, krijgt toegang tot de site van Prince. Dat levert de abonnee alle nieuwe en nog uit te brengen albums van Prince op, een lading foto's en filmpjes, meekijken bij concerten via een livecam en voorrang bij de voorverkoop van concertkaarten.

En wie niet betaalt? Die krijgt alleen een stel 'teasers' te zien, meer niet. Die Prince. De stap die dagbladen niet durven te nemen (content achter een abonneeslot), zet Prince in een vloek en een zucht. En het werkt. Het Amerikaanse tijdschrift 'Variety' schat dat wereldwijd ongeveer een miljoen mensen lid zijn van Prince's website. Dat is dus 77 miljoen dollar omzet per jaar. Tel uit je winst. Zo bewijst Prince datgene wat de meeste mensen niet geloven: internetters zijn bereid te betalen voor unieke content.

Grappig om met die kennis in het achterhoofd het opiniestuk van Thomas van Aalten op weblog Sargasso te lezen. Van Aalten is docent Crossmediale Journalistiek aan de Hogeschool van Amsterdam. In zijn stuk noemt hij het laten betalen voor content "even simplistisch als zinloos", want "als de consument moet betalen, haakt hij af".

Is dat zo? Is Prince de uitzondering die de regel bevestigt? Nee. Betalen voor unieke content is juist zo oud als het internet zelf. Dé bedrijfstak waardoor internet groot is geworden (inderdaad, de seksindustrie) drijft sinds jaar en dag op content waarvoor de creditcard moet worden getrokken. Gratis sekssites, torrents en bestandshosters als Rapidshare veranderen daar weinig aan.

"Ja, oké", hoor ik de lezer mompelen. "Maar Prince is zo enorm beroemd, dat is echt een uitzondering. En seks is seks. Dat kun je niet met dagbladen vergelijken". O nee? Hoe zit het dan met de gerenommeerde Amerikaanse krant The Wall Street Journal? Dit dagblad heeft net als de website van Prince één miljoen betalende webabonnees. En deze herfst start de krant met een microbetalingssysteem voor niet-abonnees die krantenartikelen willen lezen. Een aanpak die wel eens heel goed zou kunnen gaan werken. The Wall Street Journal weet wat zij doet, online. De krant heeft zich al bewezen. Alleen al in 2008 verdiende zij meer met haar website dan met de printeditie.

In Nederland is men vreemd genoeg ziende blind voor deze ontwikkelingen. Ze worden wel waargenomen (tenminste, dat mag je hopen), maar er wordt niets mee gedaan. De Commissie Brinkman komt in haar advies niet verder dan een heffing op internetaansluitingen om kranten financieel te helpen. Minister Plasterk weet het ook niet. Hij wil dat pers en omroepen meer gaan samenwerken. Dat je daarmee niet de oorlog wint, bleek wel toen Plasterk in De Wereld Draait Door zijn plannen mocht toelichten. De minister (vanaf 4:30 minuut) bleef steken in open deuren en gemeenplaatsen.

Het was bijna sneu om te zien, maar ik moest pas echt even gaan liggen toen ik zijn 27 kantjes tellende beleidsreactie (pdf) op het rapport van de commissie Brinkman las. Mijn hemel, die Plasterk is de Wim Kok 2.0 in eigen persoon. Check pagina 26: "op internet zijn er grootverdieners als nu.nl en Google".

Los van het feit dat iedere vergelijking tussen nu.nl en Google compleet mank gaat; nu.nl zégt winst te maken, maar cijfers worden niet gegeven. Dus hoezo is nu.nl een 'grootverdiener'? De minister roept maar wat. Dat doet Matthijs van Nieuwkerk, zelf nota bene oud-hoofdredacteur van het Parool, touwens ook: "niemand vindt het ei van Columbus uit" laat hij Plasterk weten. Ik begrijp daar echt he-le-maal niets van. Betalen voor unieke content is een online businessmodel dat zichzelf allang bewezen heeft.

En wat doen de Nederlandse kranten online? Het Algemeen Dagblad voert een restyling door waarna geen enkele oude hyperlink meer werkt (alles wordt geredirected naar de homepage van ad.nl). De Volkskrant, Trouw en NRC verkopen flessen wijn, dvd's en andere meuk. De Telegraaf plempt haar website vol met Google Adsense. Het is paniekvoetbal in optima forma.

Geen wonder dat kranten in Nederland op sterven na dood zijn. De reden: een chronisch gebrek aan lef. Waaraan het de dagbladen ontbreekt, is de moed het roer om te gooien. Het huis staat in brand, het springkussen dat 'abonneeslot' heet, ligt voor de deur, maar ze durven simpelweg de sprong niet te wagen - zelfs niet gezamenlijk. Liever blijven ze in de vuurzee zitten met een natte doek op hun hoofd waarop met grote letters 'flesje wijn kopen?' staat.