De kosten voor het plaatsen van internettaps komen wettelijk gezien voor de rekening van de providers. Zij zijn namelijk verplicht om taps te plaatsen voor Justitie en de AIVD. De investeringen die providers moeten doen om tappen mogelijk te maken, moeten zij doorberekenen aan eindgebruikers.

Formeel kunnen de providers alle kosten boven de tapvergoeding van 13,13 euro declareren bij de overheid. In de praktijk loopt dat spaak.

Vergoeding klopt niet

De Telecommunicatiewet bepaalt dat de directe personeels- en administratiekosten die verband houden met een tap door de overheid op declaratiebasis aan de aanbieder worden vergoed. En daar gaat het volgens de stichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers (NBIP) mis. De declaratie is in werkelijkheid niet uit te voeren. NBIP verzorgt de uitvoering van internettaps voor 79 kleine en grotere internetproviders. Die hebben zelf niet de middelen voor tappen en zijn daarom aangesloten bij NBIP.

Volgens Alex Bik, voorzitter van de stichting, kost het plaatsen van een tap gemiddeld 1.300 euro per tap. Die kosten rekent NBIP door aan de aangesloten providers. Vanochtend werd bekend hoeveel er door de NBIP wordt getapt. "De overheid gaat er vanuit dat je met een tap een kwartiertje bezig bent. Dat is bizar", zegt Bik. Het plaatsen van een tap kost veel meer tijd."

"Providers hebben daarnaast de wettelijke verplichting om een opgelegde taplast juridisch te toetsen. Ïk hoef niemand uit te leggen dat op het moment dat je contact opneemt met je jurist, je die 13 euro al kwijt bent als de beste man zijn telefoon opneemt. Dat gaat helemaal nergens over."

Kosten blijken niet declarabel

Volgens Bik moeten de providers twee keer kosten maken. Ten eerste moet het netwerk aftapbaar gemaakt worden. Dat wordt geregeld via de jaarlijkse bijdrage aan de stichting NBIP. Daar bovenop komen nog de kosten per geplaatste tap, van ongeveer 1300 euro. Die kosten zijn wettelijk gezien wel declarabel, maar alleen met een accountantsverklaring. "Het probleem daarbij is dat die accountantsverklaring op zich natuurlijk ook geld kost. Dan praat je ook gauw over enkele duizenden euro's. En die accountantsverklaring is niet declarabel."

Dat betekent dat providers de werkelijke kosten voor een tap in de praktijk niet kunnen verhalen op de overheid. "Daar heeft iemand in Den Haag gewoon moedwillig geprobeerd providers een oor aan te naaien. Dat kan niet anders. En ze zijn er nog succesvol in geweest ook", zegt Bik. Er wordt nu al meer dan twee jaar onderhandeld over deze regeling. Dat proces gaat erg langzaam omdat de providers te maken hebben met verschillende ministeries die hierover gaan. Dat zijn zowel Justitie en Defensie als Binnenlandse Zaken.

Onderhandelingen

De NBIP heeft voorgesteld om een service level agreement (SLA) met de overheid te sluiten zodat de kwaliteit van de taps wordt gegarandeerd. De stichting wil met de overheid een kostenregeling treffen, waardoor de NBIP de kosten voor het plaatsen van taps niet meer hoeven te factureren aan de deelnemende providers. De overheid staat daar volgens Bik ook in principe welwillend tegenover, maar door de bureaucratie duurt het proces nu al meer dan twee jaar. Voor de providers lopen de hoge kosten dus al twee jaar lang op.

De huidige tapregeling is sinds 1 april 2005 in werking. De normvergoeding voor het plaatsen van een tap is vastgesteld op € 13,13. Voor het verlengen van een tap krijgt de provider dezelfde vergoeding en voor het vervroegd afsluiten van een tap wordt ook € 13,13 euro betaald. Dit is gebleken uit Kamervragen (pdf) die Groen Links in 2006 heeft gesteld aan de toenmalige minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin, die op dit moment ook weer minister van Justitie is.