Dat stelt voormalig Netscape-topman James Barksdale in een schriftelijke verklaring aan Colleen Kollar-Kotelly, de rechter die een oordeel moet vellen over het schikkingsvoorstel. Als Microsoft zich halverwege de jaren negentig al aan de in de schikking gemaakte afspraken zou hebben moeten houden, had dat volgens Barksdale het concern niet verhinderd om Netscape uit de markt te drukken. De manier waarop Microsoft de browseroorlog van Netscape wist te winnen, door zijn Internet Explorer aan besturingssysteem Windows te koppelen, was de voornaamste aanleiding voor de antitrustzaak tegen Microsoft. Negen van de achttien Amerikaanse staten die met het ministerie van Justitie de zaak voerden, gaat het schikkingsvoorstel niet ver genoeg. Deze staten drongen aanvankelijk aan op een kale versie van Windows, zonder browser, mediaspeler en dergelijke. Inmiddels hebben zij die eis afgezwakt. De staten willen nu dat Microsoft een Windows-versie maakt waarbij zijn eigen meegeleverde programma's makkelijk kunnen worden vervangen door die van concurrenten. Barksdale verklaarde meer heil te verwachten van de maatregelen die zij voorstaan. Volgens hem verplicht het schikkingsvoorstel Microsoft slechts zijn bijgeleverde programma's te verstoppen, terwijl het voorstel van de negen staten consumenten een echte keuze geeft. "Als die regel medio jaren negentig zou hebben gegolden, had Netscape wel een kans gehad in de concurrentie met Microsoft", zo zei Barksdale. James Barksdale, die geldt als een van de grootste critici van Microsoft, getuigde al in 1998 in de antitrustzaak tegen het softwareconcern. Barksdale was president en CEO van Netscape tot het softwarebedrijf in 1999 werd verkocht aan America Online, het tegenwoordige AOL Time Warner. Barksdale zit op dit moment in de raad van bestuur van de mediagigant.