Met die eensgezinde boodschap kwamen James Gosling en Alan Baratz van Sun gisteren op de proppen op de tweede dag van de voorbereidende hoorzitting voor het proces dat hun bedrijf tegen Microsoft heeft aangespannen. De rechter in San José hoort vandaag de argumenten van beide partijen vóór en tegen een tijdelijk verbod op Microsoft Windows 98 en Visual J++ 6.0, Microsofts ontwikkeltool voor Java-applicaties. Sun eist zo'n verbod vanwege de afwijkende Java-versie in deze programma's.

Gosling is vice-president van Sun Microsystems en één van de bedenkers van de Java-programmeertaal, Baratz is topman van JavaSoft, een divisie van Sun.

Microsoft heeft gisteren proberen aan te tonen dat Sun – zonder één en ander contractueel vast te leggen – wel degelijk heeft ingestemd met varianten van en uitbreidingen op Java. In ieder geval heeft de softwarereus meerdere malen te kennen gegeven dat het een beter-voor-Windows-variant van Java zou produceren.

Voor de rechtbank zei Baratz dat hij Microsoft nooit op enige manier toestemming heeft gegeven om de platform-onafhankelijkheid van Java te ondergraven. En dat gebeurt nu wel: een programmeur die met Visual J++ een applicatie ontwikkelt zal deze alleen met de Java Virtual Machine van Microsoft werken, zo voegde Gosling toe. Dat komt omdat Redmond compilercommando's en termen heeft toegevoegd die volgens Sun niet stroken met zijn specificaties voor Java – die vragen om een 100 % Pure Java.

Microsoft heeft volgens Gosling in een bijeenkomst in februari vorig jaar ook erkend dat uitbreidingen op de Java-technologie schadelijk zou zijn voor ontwikkelaars en gebruikers.

Het is nog onzeker wanneer de rechter een beslissing neemt in deze procedure. Voorlopig gaat het alleen om de vraag of er een tijdelijk verbod moet gelden voor Windows 98 en Visual J++. Het proces dat definitief uitsluitsel moet bieden begint waarschijnlijk pas volgend jaar zomer.