Op vakantie verander ik traditiegetrouw in een halve internet-hater. Ik blijf zo vaak en ver mogelijk weg van het beeldscherm. AFK, zoals chatters het noemen - away from keyboard.

De laptop is dan wel een trouwe reisgezel, maar dat is vooral voor de Gigabytes aan foto's, omdat mijn wijsvinger op vakantie zowat aan het knopje van de camera is geplakt. Af en toe een kort reisverslagje of een snel "alles goed - nu terug naar het strand" en dat is het dan wel.

De afgelopen jaren was ik vooral op reis door de VS, en de enkele keer dat ik dan wel online wilde, kond dat meestal ook. Gratis inbellen in motels, ethernetverbindingen op campings, Wi-Fi rond een benzinestation, volop internetkroegen - internet (wanneer je maar wilt) is zo vanzelfsprekend.

Dit jaar bleek dat anders in Europa. In Berlijn staan her en der dan wel computers opgesteld voor de toerist, maar mijn draagbare digitale fotomap heeft ook een Wi-Fi-kaartje aan boord en ik moet en zal draadloos een fotootje naar het thuisfront mailen.

Ik zie in een paar dagen welgeteld één (1) kroeg met een uithangbord voor Wi-Fi. (Dat kan aan mij liggen, want als halve internet-hater heb ik vaak oogkleppen op voor internet.) Vanachter een groot glas bier vouw ik mijn iBook open en ik kan zien dat er hier draadloos internet in de lucht zit, maar ik kan er verder niks mee. Nee, dat is alleen voor mensen met "aa oo el", zegt de serveerster. Scheiße!

In het centrum van Praag belooft een groot bord gratis internet bij een drankje. Het bord verwijst naar een volgend bord, dat weer naar een volgend bord wijst, en zo gaat dan nog een kilometertje door en dan sta ik in een fel gekleurd en verlicht, ultra modern café waar één computer in een hoekje staat. Het oostblokgrijze apparaat valt nogal uit de toon bij het interieur van dit etablissement. Achter die PC zit een jongen met een koffie onderuitgezakt, alsof hij er al een etmaal zit er dat andermaal zal volhouden.

Volgende stop is Kroatië. In een zuidelijk dorpje staan twee computers in een grote, warme ruimte vlakbij de haven. Achter de linker computer zit een jochie te chatten; de andere computer is vrij. Ik grijp naar muis en toetsenbord om direct naar mijn webmail te surfen, terwijl ik er zonder meer vanuit ga dat die computer continu aan het internet hangt. Mis! Ik moet inbellen, verduidelijkt het chattende jochie, wiens moeder ongeduldig staat te wachten.

Dan steekt een man zijn hoofd door de deur. "Zeg, kun je stoppen met internetten? Want we moeten hiernaast even bellen." In het belendende kantoortje staan wat toeristen die een huurfiets of een boottocht willen bespreken zoveel telefoonlijnen hebben ze nou ook weer niet.

Als ik dan eindelijk mag internetten, blijkt het tergend traag. En dan die net iets andere toetsenborden... Yo wordt het verslagje van de yomervakantie een beetje vreemd en het apenstaartje zit goed verstopt op dit toetsenbord, dat daarom wel lijkt ontworpen om nooit online te zijn.

Ik ben weer terug in New York City en ben online op een snelle lijn, ik kijk weer naar satelliettelevisie, ik word gek van de lange lijst met Wi-Fi accesspoints die m'n computer ruikt, ik huur DVD's bij online videotheek Netflix die ze per post verstuurt en ik zit weer met m'n iPod in de subway.

En toch zou ik misschien wel op een plek als dat dorpje in Kroatië willen zijn.