En mooier nog: daar gaan we zelf beter van worden. Doordat we content management systeem MMBase open source maken, hebben we straks veel meer programmeurs voor ons aan de software werken dan we zelf in dienst hebben. En ook nog eens gratis en voor niks.

Het begrip open source was in die dagen nog geen gemeengoed. Het idee dat je er beter van kon worden als je zelfgebouwde software zonder vergoeding aan anderen ter beschikking zou stellen, was nog betrekkelijk nieuw. Als ik eerlijk ben, moest ik zelf ook wennen aan dat concept. Gevoelsmatig was het gek, maar rationeel klopte het.

Immers, door de software vrij te geven zou het aantal gebruikers van MMBase toenemen en daarmee zou ook de groep ontwikkelaars groeien. En omdat de voorwaarde van open source nu eenmaal is dat je toevoegingen en verbeteringen aan de software ook weer ter beschikking stelt van de rest van de gebruikers, wordt de software door de open source gang beter.

Daar profiteren alle deelnemers en gebruikers van. Ik hoor sommigen zeggen: lekker makkelijk als publieke omroep, maar dit geldt net zo goed voor een commercieel bedrijf. Bedrijven die sites bouwen voor anderen, die in opdracht voortborduren op de technologie, doen overal goede zaken op basis van open source software.

De opkomst van open source is de opmaat geweest naar wat we nu Web 2.0 noemen. Naar het besef dat delen, openheid en loslaten van controle van toegevoegde waarde kunnen zijn voor een bedrijf, voor een product, voor een service. Bijvoorbeeld: een belangrijke succesfactor van YouTube is geweest dat de video's te 'sharen' zijn en dat de site daarmee zegt: je hoeft niet bij ons te komen, je mag de inhoud ook in een andere site verwerken.

Of Flickr. De fotosite is op zichzelf van grote waarde, maar het feit dat Flickr anderen op basis van zijn inhoud services laat bouwen zorgt uiteindelijk voor vergroting van het marktaandeel. Dat heeft ondermeer geleid tot een pracht initiatief als Flickrvision, waar de foto's van Flickr met zevenmijlslaarzen over de wereldbol van Google Maps springen.

Maar op een heel ander gebied werkt open en de inzet van de deskundigheid van de gebruiker ook. TomTom is van zichzelf al een mooi product en een groot succes, maar ziet kans om zijn betalende klanten ook nog eens mee te laten werken aan de verbetering van het product. Immers, zij voegen toe, passen aan, slijpen fijn; de klanten helpen mee de TomTom-kaarten voor anderen beter te maken.

Web 2.0 is uiteindelijk geen techniek. De software maakt mogelijk. Web 2.0 is een houding, is een instelling. We zijn gewend om over alles controle te willen houden, we zijn gewend om onze kennis voor onszelf te willen houden. En we moeten toe naar een tijd waarin we loslaten, waarin we inhoud en mogelijkheden weggeven, waarin we delen en samenwerken. Maar waarin we dat graag doen in het besef dat we daar zelf beter van worden.

Omdat het loyaliteit oplevert, externe deskundigheid oplevert, een beter product oplevert, omzet oplevert, noem maar op. En dat is een complex proces: mensen laten zien dat ze tegen hun opgebouwde zekerheden in moeten gaan. En ze duidelijk maken dat dit geen jaren zestig credo is, maar ook succesvol bij winstgevende bedrijven wordt gehanteerd.

Ik realiseer me dat ik hier op Webwereld voor de voorhoede van internet schrijf. De kans is dan ook aanwezig dat er 'early adopters' opstaan die dit 'ouwe koek' noemen, omdat zij al praten over Web 3.0. Maar ik zeg: kijk om je heen en zie hoe bedrijven, scholen, instellingen of verenigingen werken. En je kan niet anders dan concluderen dat er nog een wereld te winnen is. Dat Web 2.0 de massa in zijn dagelijks gebruik, thuis en op het werk, nog moet bereiken. Oftewel: dat Web 2.0 nog moet beginnen!