We gaan terug naar 1954. De aandacht van sociaal psycholoog Leon Festinger wordt getrokken door een sekte waarvan de leden heilig geloven in het einde van de wereld. Een zondvloed die al het leven op aarde zal vernietigen, is aanstaande. Vlak daarvoor zal God een ruimteschip sturen dat alle sekteleden van een wisse dood redt.

Interessant, denkt Festinger. Hij wacht rustig af tot het jaar 1954 is verstreken. De mensheid bestaat nog steeds, dus hij is benieuwd hoeveel sekteleden nu van hun geloof zijn gevallen. Het antwoord: helemaal niemand. De profetie is misschien niet uitgekomen, maar daarvoor is volgens de sekteleden een simpele verklaring. Zij hebben zo hard gebeden, dat God besloten heeft de wereld te sparen. Vandaar dus.

Hierop introduceert Festinger zijn theorie over de 'cognitieve dissonantie'. Stel, je gelooft heilig in iets, maar de feiten spreken je geloof tegen. Wat doe je dan? Het antwoord: je bedenkt (onbewust) een uitvlucht. Je past er een mouw aan zodat je vast kunt blijven houden aan je oorspronkelijke ideeën. Kortom: je praat recht wat krom is. Zo ontstond via cognitieve dissonantie bijvoorbeeld het creationisme: het geloof dat God achter de evolutie zit. Ja, je mag rustig stellen dat cognitieve dissonantie een vorm van zelfbedrog is. Maar, eerlijk is eerlijk, tot voor kort was het niets meer dan een theorie.

Nu is het gelijk van Festinger echter wetenschappelijk aangetoond. In het blad Psychological Science doen onderzoekers van de Northwestern University verslag van een reeks experimenten waarin zij antwoord zochten op de vraag: wat gebeurt er wanneer je iemand onzeker maakt over datgene waarin hij of zij gelooft? En nu komt het: de wetenschappers die het onderzoek uitvoerden, kozen voor opmerkelijke proefpersonen. Niet Jehova's Getuigen - wat voor de hand zou liggen - maar hun digitale evenknie: Apple fanboys. Een uitstekende keuze, want wat blijkt? Hoe indringender Apple fanboys in het eerste deel van het experiment aan het twijfelen werden gebracht over de geneugten van de Mac, des te meer moeite zij in het tweede deel van het experiment deden pc-gebruikers te winnen voor de Mac.

Dus zó zit de psyche van Apple fanboys in elkaar! Dáárom schreeuwen ze zo. Voor mij een echte eye-opener. Ik wist bijvoorbeeld dat ze allerminst beschikken over een onafhankelijke geest en massaal lijden aan het Stockholmsyndroom. Stap voor het eerst binnen bij een Apple-reseller en je schrikt van de eenkennigheid. Het complete autistische spectrum daalt als een klamme deken over je neer: jij gaat een gelovige worden, of je nu wilt of niet. Het is bijna beangstigend, maar in het universum van de Apple fanboy is nu eenmaal geen plaats voor twijfel. Of toch wel? Nu weten we dus beter. De ergste fanboys zijn de grootste twijfelaars. Ik vind dat een bemoedigende ontwikkeling. Diep van binnen zit in die vervelende betweters een stemmetje dat zegt: "houd nou eens op, het is godbetert een apparaat, een gebruiksvoorwerp. Get a life!"

De wil tot evangeliseren wordt gevoed door twijfel. Best wel mooi eigenlijk. Het heeft zelfs iets tragi-komisch. Apple fanboys, het geloof wankelt. Alleen weten ze het zelf nog niet.