Een bedrijf kan zijn werknemers volgen via de gps-functie in de smartphone. Onder meer Google biedt deze optie sinds kort aan, zodat bijvoorbeeld logistieke bedrijven arbeidskrachten efficiënt kunnen inzetten. Google Maps Coordinate wordt op dit moment in Europa uitgerold. Bedrijven kunnen zich bij de zoekgigant aanmelden om de tool te gebruiken.

Instemming OR

Maar zo'n dienst mag niet zonder meer worden ingevoerd. In Nederland moet als eerste stap de ondernemingsraad toestemming geven aan de baas over gps-beleid. De OR heeft instemmingsrecht bij zaken die betrekking hebben op de omgang van het bedrijf met privégegevens. Als de raad de gps-plannen afkeurt, kan de werkgever alsnog naar de kantonrechter stappen.

In de tweede plaats is er de Wet op Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). “De werkgever moet kunnen aantonen dat het gebruik van privacygevoelige informatie noodzakelijk is", legt privacydeskundige mr. Nicole Wolters Ruckert uit.

"Alweer een tijd geleden speelde dezelfde vraag bij het volgen van taxichauffeurs. Taxicentrales mogen nu chauffeurs volgen mits ze daarbij ook aan de Wet bescherming persoonsgegevens voldoen. Maar een app op een smartphone is natuurlijk een andere zaak dan een gps-functie in een bedrijfswagen."

Privacywaakhond

Werknemers kunnen aankloppen bij het College Bescherming Persoongsgegevens (CBP) als ze het gevoel hebben dat hun privacy in het geding komt. Deze privacywaakhond bekijkt of persoonlijke gegevens wel wettelijk gebruikt mogen worden voor de gestelde doeleinden.

Het CBP komt in actie als bijvoorbeeld bedrijven ernstig inbreuk maken waarvan een grote groep mensen het slachtoffer is. Via de website mijnprivacy.nl kunnen mensen het CBP op de hoogte stellen van een vermeende overtreding.

Locatiegegevens opgeslagen

Een werkgever moet volgens de Wbp maatregelen treffen om de privacy van werknemers te beschermen als er locatiegegevens worden gebruikt. Een voorwaarde die het CBP in eerder geschil over locatiegegevens opstelde, is dat de data niet centraal mag worden opgeslagen.

"Er moet dataminimalisatie zijn", zegt Lysette Rutgers, woordvoerster van de privacywaakhond. "Dit houdt in dat er geen grootschalige opslag plaats mag vinden." Hierdoor kunnen er zo min mogelijk mensen bij privacygevoelige informatie.

Bij de dienst van Google worden volgens de zoekreus zelf “werknemers- en bedrijfsgegevens opgeslagen in een van Google's datacentra". Het risico op ongewenst gebruik van privacygevoelige informatie is daardoor groter, omdat theoretisch een grotere groep mensen de data kan inzien. Volgens de Wbp moet deze potentiële inzage beperkt zijn.

Nieuw terrein

De Nederlandse wet is erop ingesteld dat bedrijven niet zomaar locatiegegevens kunnen gebruiken. Het belang van de bedrijfsvoering moet opwegen tegen het recht op bescherming van privacy. In de wet staat dat er een dringende maatschappelijke behoefte moet zijn om inmenging in privacygevoelige informatie te rechtvaardigen.

Als een conflict over gps-beleid tot een rechtszaak komt, zou een ondernemer van bijvoorbeeld een ict-hulpdienst kunnen aanvoeren dat het noodzakelijk is te weten waar werknemers zich bevinden om tijdig personeel erop uit te kunnen sturen. Een bedrijfsjurist zou dit belang aan de rechtbank duidelijk moeten maken.

Daarbij moet een rechter er ook van worden overtuigd dat deze data voldoende afgeschermd is en dat niet iedereen erbij kan. “Dit is voor een groot deel nieuw terrein", licht Wolters Ruckert toe. “Het is afwachten wat er precies gebeurt zodra dit soort zaken gaat spelen."

Netelige discussie

“Het heeft bijvoorbeeld even geduurd voordat er wetgeving kwam op het gebied van bedrijfsmail. Dat komt voor een groot deel doordat mensen niet direct denken aan de privacygevoeligheid hiervan, want je denkt toch dat de baas mag kijken naar bedrijfsberichten", zegt Wolters Ruckert. “Maar met het volgen van locatiegegevens zullen werknemers zich veel sneller afvragen of dat wel mag. Je hebt van nature het idee dat je locatie veel privacygevoeliger is."

“Dit kan een netelige discussie worden, als een werkgever het gebruik van zo'n dienst probeert af te dwingen", vertelt Wolters. “Bijvoorbeeld bij BYOD dient een aanvullende vraag zich aan: want in hoeverre mag je als werkgever je personeel dwingen de app op eigen toestellen te gebruiken?", vraagt Wolters zich af.