Het Grondwettelijke Hof in Oostenrijk heeft een zaak onder behandeling over de Europese dataretentierichtlijn die die telecombedrijven verplicht data van gebruikers op te slaan voor eventuele opsporingsdoeleinden.

De deelstaatregering van Karinthië, een medewerker van een telecombedrijf en meer dan 11.000 burgers hebben zich tot het Grondwettelijke Hof gewend met beroep op het EU handvest voor grondrechten, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, plus de Oostenrijkse grondwet die het recht op bescherming van persoonsgegevens voor haar burgers regelt.

Het Grondwettelijke Hof ziet inderdaad bedenkingen bij de grootschalige langdurige opslag, met een mogelijk conflict op de burgerrechten. Het Grondwettelijke Hof zegt zich bewust te zijn dat de maatregel gericht is op de vervolging van ernstige misdrijven. “Maar ongeacht dat doel is er bezorgdheid over de verplichting van de opslag zelf en de daarmee verbonden onvermijdelijke gevolgen", schrijft het Hof.

Neuzen in de data van onschuldige burgers

“Ons voorbehoud gaat uitsluitend over de burgers die op zichzelf geen enkele aanleiding hebben gegeven om over hen de data te bewaren. Autoriteiten onderzoeken hun gegevens en zijn over het privégedrag van deze personen op de hoogte. Daarbij komt ook nog eens het verhoogde risico op misbruik", zegt voorzitter van het Hof Gerhart Holzinger. Omdat er nu twijfels zijn ontstaan over de interpretatie van de richtlijn, vraagt het Hof zijn Europese collega's om hulp.

Het is een zogeheten pre justitiële hulpvraag, waarvoor het Oostenrijkse Hof de behandeling van de eigen zaak stopzet totdat het Europese Hof antwoord geeft op enkele gestelde vragen. Dat duurt ongeveer anderhalf jaar voordat die antwoorden er zijn. De vragen gaan over de verenigbaarheid van artikelen uit de dataretentierichtlijn met die uit het Handvest van grondrechten. De antwoorden erop kunnen van invloed zijn op de Nederlandse uitvoering van de dataretentierichtlijn.