Dat blijkt uit de documenten die de Electronic Frontier Foundation (EFF) via een beroep op de Amerikaanse wet openbaarheid bestuur (Freedom of Information Act) in handen heeft gekregen.

Het systeem DCSNet (Digital Collection System Network) geeft de FBI direct de mogelijkheid telefooncentrales op afstand af te luisteren. Daarbij gaat het niet alleen om moderne VoIP-systemen, maar ook om mobiele operators en traditionele telefooncentrales. Zodra iemand een nummer belt dat onder observatie staat, komt de informatie voor de FBI-agenten beschikbaar inclusief de locatie van de bellers.

Agenten bewaren eenvoudig telefoonnummers, berichten en gesprekken. Om dat te kunnen, zijn er drie systemen: een systeem voor gegevens waar niet altijd een gerechtelijke order voor nodig is, een systeem voor 'regulier' afluisteren en eentje gericht op terroristen. Van de laatste zijn minder gegevens bekend, omdat deze niet zijn vrijgegeven.

Niet vrij toegankelijk

Uit de opgave van de FBI blijkt wel dat de systemen nog steeds een handeling van de providers vereisen om te kunnen beginnen met volgen en afluisteren. Daarbij hangt het van de bereidwilligheid van de provider af of deze het de FBI juridisch lastig maakt.

De EFF voert op dit moment een procedure tegen AT&T om het bedrijf aan te spreken op het verstrekken van verkeersgegevens aan de Amerikaanse beveiligingsdiensten zonder daarvoor een verplichting te hebben. De documenten laten verder een weinig flatteus beeld zien van de beveiliging van de luistervinksystemen. Zo laat een audit de nodige zwakheden zien.

Verplichte kost

Dat de FBI een uitgebreid afluistersysteem heeft gebouwd, is niet verbazingwekkend omdat providers in de VS sinds 1994 verplicht zijn de mogelijkheid tot afluisteren in hun systemen in te bouwen.

Uit statistische gegevens van het Amerikaanse Department of Justice blijkt dat het aantal geregistreerde taps de laatste tien jaar met 60 procent is gestegen.