Dan kunnen we wederom smullen van nieuwe Nederlandse termen als het internetpaspoort, het internetsofinummer of de digitale identiteitskaart. Dan wordt er weer ingespeeld op onze sentimenten om terroristen, pedofielen en hooligans aan te pakken. Het op de tong laten rollen van de verontwaardigde zinsnede 'het kan toch immers niet zo zijn dat...' is slechts voor de fijnproever. En altijd stuit die roep om inperking op dezelfde reacties van de 'internetgemeenschap', die probeert de grote traditie van online privacy te bewaken.

Op 22 maart was het weer zover: de Tweede Kamerfractie van de PvdA vraagt minister Donner een systeem met internetsofinummer te ontwerpen. Om onverlaten te straffen en om onwenselijke filmpjes te verwijderen. "Want dat veroorzaakt veel leed bij de slachtoffers", aldus PvdA-er Aleid Wolfsen.

Het weblog Retecool.com geeft direct de Pavlovreflex van de vrijheidsstrijders kort en bondig weer:

"Geheel gespeend van enige kennis van zaken komt vandaag Aleid Wolfsen met het geniale plan om iedereen een Internetsofinummer te geven, omdat op die manier mensen die zich op internet 'misdragen' tenminste te achterhalen zijn. Dat een ip-adres wat dat betreft prima volstaat, half Nederland vol staat met onbeveiligde draadloze netwerken en dergelijke nationale maatregelen absoluut geen zin hebben op een Internationaal openbaar netwerk, is bij Wolfsen nog niet opgekomen."

Deze laconieke reactie is naar mijn smaak misplaatst. Niet omdat die geen echt goede argumenten zou bevatten - zoals we zo meteen zullen zien - maar omdat die onderschat hoe groot de krachten zijn die op net drukken en steeds harder drukken. Om een dakpan op je schuur te leggen is in dit land al een vergunning nodig, we dragen bijna allemaal verplicht zonder morren een identiteitskaart, je komt geen douane langs zonder paspoort; alles is in de westerse wereld tot in de puntjes geregeld.

Je privacy is door databases van banken, overheden en bedrijven nagenoeg afwezig en dan spreken we nog helemaal niet van camera's en telefoontaps. Iedereen die ervan uit gaat dat in zo'n maatschappij anonimiteit op een grootschalig medium als het internet een natuurlijke toestand is, zal ik altijd politieke naïviteit verwijten. Inperking van wat men nu als opgebouwde internetbasisrechten beschouwt is waarschijnlijk onvermijdelijk, al was het alleen maar omdat machthebbers niet rustig kunnen slapen met een zwarte doos in hun kamer.

Belachelijk

Onvermijdelijk misschien, maar is het ook terecht? Laten we eens proberen de voors en tegens ordelijk op een rijtje te zetten, zonder dat men een karikatuur maakt van de argumenten, zoals meestal gebeurt.

Allereerst, wat wil de tegenstander van anonimiteit? De hardliner zal hoogstwaarschijnlijk beargumenteren dat privacy een groot goed is, maar dat dat niet mag betekenen dat schuldigen niet gestraft kunnen worden.

Bestaan er schuldigen? Uiteraard, iedereen weet dat ook pesters, stalkers, pedofielen, terroristen, misdadigers en fraudeurs van het net gebruik maken en dat het net zich niet kan onttrekken aan de rechtvaardigheid van ons juridische systeem. Op zichzelf is dit een redelijke stellingname, die door de meeste mensen met gezond verstand moeiteloos zal worden aanvaard. De correctheid ervan hangt af van de tegenargumenten.

De klassieke verdediging bestaat uit een aantal elementen, die voor het grootste gedeelte in het stuk van Retecool naar voren komen. Allereerst valt het op dat de degene die de anonimiteit betwist bijna altijd belachelijk gemaakt wordt ('geniale plan'); hij of zij zou geen verstand van zaken hebben en maar wat roepen. Of nog erger, fascistische neigingen vertonen. Jammer, want je tegenstander niet serieus nemen is niet alleen een beetje kinderachtig, het zorgt er ook voor dat je niet meer nadenkt over tegenargumenten. Zo kan het gebeuren dat verliezers hun nederlaag vaak helemaal niet zien aankomen.

Dat vervolgens het plan helemaal niet nodig is, is meestal de volgende reactie. Op basis van ip zouden we iedereen kunnen opsporen en hebben we een prima middel in handen om die lastige lui een lesje te leren. Dat 'Zanger Reet' daarna constateert dat 'Half Nederland vol staat met onbeveiligde draadloze netwerken' ondergraaft merkwaardig genoeg dat punt meteen.

Een ip-adres is vaak slechts een indicatie waar een pc zich bevindt, niet wie erachter zit. In de praktijk is identificatie of blokkade uiterst eenvoudig te omzeilen, door in internetcafés te gaan zitten of andere netwerken te gebruiken. De KLPD internetrecherche zal met de meeste gevallen uiteindelijk wel raad weten, maar site-eigenaren en lokale politie zijn tegen de echte diehards redelijk kansloos. De meeste vervelende klanten hou je ermee tegen, maar een ip-adres is volstrekt onvoldoende om een kleine groep internetterroristen van je site te weren of op te sporen. Zo kan het gebeuren dat chatsites of discussieforum compleet worden geannexeerd zonder dat webmasters daar wat tegenover kunnen stellen.

Uitvoering

Het argument dat zoiets als een internetpaspoort weinig zin heeft op een wereldwijd netwerk, snijdt meer hout, maar is uiteindelijk geen principieel argument; het is een uitvoeringsprobleem. Je zou toe kunnen gaan naar een ambitieuze wereldwijde oplossing, of de boel alleen in grote lijnen voor Nederlanders in Nederland kunnen regelen en de ruis laten zitten. Toegegeven, het heeft behoorlijk wat haken en ogen, maar onuitvoerbaar is het niet. Dan zou een papieren paspoort of een sofinummer er immers ook nooit gekomen zijn. Of internet zelf.

Het laatste argument wordt meestal slechts gesuggereerd of gefluisterd: men krijgt het Big Brother-gevoel. Niet ten opzichte van de baas of de collega sitebezoeker, want een internetpaspoort hoeft nog helemaal niet te betekenen dat andere internetters je identiteit kennen. Nee, de overheid wordt gewantrouwd. En terecht. Internet is een ideale manier om te discussiëren en je uiten, maar ook een ideale manier om dat te verzamelen en die uitingen terug te dringen. En in het verleden hebben de nationale en lokale overheden zich nu niet bepaald voorbeeldig gedragen als het gaat om de vrijheid van meningsuiting op internet (zie ook de zaak van de Zweedse minister Freivalds).

Ook nu merkt Wolfsen in het Dagblad van het Noorden op: "Ook wordt het gemakkelijker om vervelende filmpjes van internet te laten verwijderen." Dat kan met treiterfilmpjes van klasgenoten beginnen, maar waar eindigt dat? Nu al ontwerpen de Europese Unie en Nederlandse justitie een zogeheten notice and takedown-regeling, waarmee sites direct uit de lucht kunnen worden gehaald. Een serieuze afweging, het werkelijk ernstig nemen van de vrijheid van meningsuiting lijkt bij beleidsmakers en providers niet aan de orde.

Juist het gevaar van onverantwoordelijk gedrag van de overheid lijkt mij het enige serieuze verweer tegen de roep om de anonimiteit op internet in te perken. Ik zie het somber in, maar het is misschien nog niet te laat. Maar dan moeten we er niet meer met futiliteiten en halve argumenten omheen draaien.