Minister Opstelten gaat zwaar inzetten op vrijstelling van de verplichtingen van de Europese databescherminsgwet voor het Nederlandse MKB en zelfstandigen zonder personeel. Hij vindt de nalevingskosten te hoog in vergelijking met het risico dat verwerking van persoonlijke gegevens van burgers met zich meebrengt. Dat schrijft de minister aan de Tweede Kamer.

Wel een grondrecht

Het was al eerder bekend dat Opstelten en een aantal ministers van andere Europese landen geschrokken zijn van de nalevingskosten die de Europese databeschermingswet mogelijk met zich mee brengt. Die wet is onderwerp van debat in zowel het Europees Parlement als in de Raad van Europese ministers. Opstelten zegt nu dat het wetsvoorstel van de Europese Commissie moet veranderen.

“Het ontgaat mij uiteraard niet dat de bescherming van persoonsgegevens een grondrecht is. Dit grondrecht is, zoals bekend, niet absoluut, maar moet steeds worden afgewogen tegen andere betrokken belangen. Voor zover het betreft het bedrijfsleven, spelen economische belangen bij die afweging ook een rol. Ik hecht daar in het bijzonder aan, omdat ik van oordeel ben dat het recht ook een bijdrage kan en moet leveren aan economisch groeipotentieel. Het voorstel van de Commissie levert daaraan thans nog niet een voldoende bijdrage.”

Miljoenen minder, maar miljarden meer

Opstelten heeft al eerder laten doorrekenen wat voor het Nederlandse bedrijfsleven de kosten zijn als de Europese databeschermingswet wordt aangenomen. De administratieve lasten gaan op zich met enkele honderden miljoenen omlaag op jaarbasis, maar de nalevingskosten komen daarnaast nog eens op 1,12 tot 1,46 miljard per jaar. Dat is een forse verhoging vergeleken met de nalevingskosten voor de Wet bescherming persoonsgegevens.