Burgers, regeringen en bedrijven lopen steeds meer risico's op het web. Staatsveiligheid en openbare orde kunnen daarbij in het geding komen. Daarom is het goed dat politici meer betrokken worden bij internetveiligheid; het beschermen van de staat en zijn burgers is immers de kerntaak van de overheid.

Geen rijksweg

Bij de Cyberspace-Top in Londen eerder deze maand zaten ministers uit allerlei landen met de handen in het haar. Steeds vaker worden zij geconfronteerd met de nadelige gevolgen van absolute vrijheid op het internet. Criminelen, spionnen en soldaten verstoren veilig internetgebruik en overtreden wetten, maar overheden hebben amper instrumenten om daar effectief tegen op te treden.

De digitale snelweg is natuurlijk geen rijksweg. Toen de overheid jaren geleden die verkeersaders ging aanleggen, kon de regering meteen allerlei verkeersregels opleggen aan de gebruikers. Bij het internet zit dat fundamenteel anders: dat is ontstaan en gegroeid door inzet van burgers en bedrijven. De overheid heeft nooit een rol gehad bij de ontwikkeling en inrichting van het web.

Niemand wil Arabische toestanden

Jimmy Wales, van Wikipedia, drukte de politiek op het hart dat vooral zo te houden: “Het beste wat overheden kunnen doen voor het internet, is zich er niet mee bemoeien", zei hij. Westerse regeringen lijken inderdaad doordrongen van hun beperkte rol op het web - niemand wil Arabische toestanden. Een open internet is namelijk van cruciaal belang voor vrije meningsvorming en economische groei.

Toch kunnen regeringen het web niet langer negeren. Overheden moeten hun kerntaak - beschermen van burgers en staatsinstellingen - ook op het web kunnen waarmaken als daar de dreiging vandaan komt. Maar tegelijkertijd kan geen enkele regering de macht grijpen op het internet. Dat zou onverantwoord zijn, het web is daarvoor ook te complex en internationaal.

Een wetboek voor internetverkeer heeft ook al geen zin. En een verdrag tussen landen waarin wordt bepaald dat regeringen het gedrag van onderdanen op het web regelen is politiek kansloos.

Maar hoe moet het dan?

Nederlandse aanpak

Met alleen optreden bereik je niets, samenwerking is dus het sleutelwoord. Als overheden met bedrijven en vertegenwoordigers van burgerorganisaties om de tafel gaan zitten, kunnen ze informatie over dreigingen en tegenmaatregelen delen. Daardoor kunnen spelers vanuit hun eigen verantwoordelijkheid inspelen op cyberdreigingen. Binnen zo'n samenwerking is niemand de baas of politieman van het internet, maar werken spelers met elkaar samen vanuit een gedeeld belang bij een vrij, veilig en open internet.

Nederland is koploper met op deze manier werken aan internetveiligheid. In de Cyber Security Raad zitten bedrijfsleven, overheid en wetenschap met elkaar om de tafel. Dreigingen worden besproken en reacties voorbereid. Alle deelnemers beseffen dat door de complexiteit van het internet, eenzijdig regels opleggen geen zin heeft. De wederzijdse afhankelijkheid is te groot. Daarom is het werken aan onderling vertrouwen zo belangrijk.

Samenwerken heeft de toekomst

De crisis rond DigiNotar bracht de kracht van een gezamenlijke aanpak in beeld. Er werd een probleem met certificaten gesignaleerd, overheid en bedrijfsleven werkten vervolgens samen aan een effectieve oplossing, waardoor de overlast beperkt bleef. Zelfs een internationaal bedrijf als Microsoft kon overtuigd worden mee te werken, om de overlast voor Nederlandse burgers en bedrijven minimaal te houden.

Terwijl politici over de hele wereld zoeken naar een effectief antwoord op internetdreigingen, laat Nederland zien hoe samenwerking tot resultaat leidt. Verkeerspolitie op de digitale snelweg heeft geen zin, mét de overheid werken aan een open en veiligheid internet heeft de toekomst.

Wouter van Cleef is politicoloog en publicist op het terrein van internationale politiek en internationaal recht.