De socialistische Tweede Kamer-leden Martijn van Dam en Jeroen Recourt hebben vragen ingediend bij minister Opstelten over het gebruik van profielgegevens van gebruikers voor commerciële doeleinden. LinkedIn wil onder meer foto's van leden gebruiken in advertenties van derden.

Probleem is vooral het ontbreken van toestemming vooraf door de leden van LinkedIn. Het bedrijf zegt via blogposts de leden op de hoogte te hebben gesteld, maar dat wordt door juristen Arnoud Engelfriet en Milica Antic niet gezien als het geven van voldoende informatie. Ook stellen zij dat het opt-out systeem niet in overeenstemming is met de Wet bescherming persoonsgegevens.

Optreden van CBP

De PvdA-fractie wil nu weten van Opstelten of hij vindt dat LinkedIn handelt in strijd met de wet. Ook vragen de kamerleden of College Bescherming Persoonsgegevens zou moeten optreden. Eerder vonden Antic en Engelfriet een onderzoek van het CBP gewenst. De PvdA wil dat de minister zorg gaat dragen voor het vragen van expliciete toestemming van dergelijke aanbieders van sociale netwerksites aan hun gebruikers.

LinkedIn blijft ondertussen bij zijn statement dat met twee blogposts en een banner de gebruikers van de sociale netwerksite op de hoogte zijn gesteld van het gebruik van foto's en persoonsgegevens in reclame. Het heeft na herhaaldelijke verzoeken van Webwereld om commentaar op de mogelijke conflicten met de Nederlandse privacywetgeving, alleen gereageerd met een statement waarin het opnieuw uitlegt hoe het bedrijf de gebruikers van de sociale netwerksite op de hoogte heeft willen stellen van de veranderingen in de privacystatement van LinkedIn.

'Altijd info via banner'

LinkedIn stelt dat gebruikers bij het voor het eerst inloggen na de verandering van het privacystatement een banner te zien kregen waarin die verandering wordt omschreven. Ook zou daarin een link zijn opgenomen naar een pagina waarop gebruikers zich weer kunnen uitschrijven voor het gebruik van hun gegevens, de zogeheten opt-out.

Het bedrijf wil niet ingaan op specifieke vragen, zoals of er rekening is gehouden met de Nederlandse privacywetgeving. Via het pr-bureau van LinkedIn stelt Richard George, de Europese pr-manager van het bedrijf, in een per email gestuurde statement dat LinkedIn “altijd een banner gebruikt bij veranderingen in zijn gebruikersovereenkomst en privacybeleid."

'De wereld op zijn kop'

Europees Parlementariër Sophie in 't Veld (D66) toont zich ongerust over de manier waarop sociale netwerksites met privacygegevens omgaan. “Je kan die gegevens zien als geld, want dat krijgen bedrijven als LinkedIn namelijk ervoor van andere commerciële partijen. De gebruiker wordt dus eerst 'geld' uit de zak geklopt en als je het er niet mee eens bent kan je daar tegen bezwaar maken. Dat is de wereld op zijn kop." Zij noemt dergelijke praktijken “een groeiend probleem" dat wordt herkend door zowel Europees Parlement als Europese Commissie. De EC komt dit najaar, mogelijk november, met een voorstel voor Europese richtlijnen wat betreft privacywetgeving.

In 't Veld wijst er wel op dat die richtlijnen “in het gunstigste geval" pas in de tweede helft van 2012 door het Europese Parlement zullen worden aangenomen. Daarna hebben de regeringen van de lidstaten nog enige jaren om die richtlijnen te vertalen naar lokale wetgeving. “Maar dat betekent niet dat er nu niets is waaraan de handelswijze van LinkedIn kan worden getoetst."

Onduidelijk welk rechtssysteem

Ander probleem is dat de Verenigde Staten vindt dat Amerikaanse bedrijven vallen onder de Amerikaanse privacywetgeving. Europa heeft daar duidelijk een andere mening over. Tussen beide is daarover veel overleg, maar er is daarin nog geen oplossing. "De vraag is dus telkens: hoe stel je vast wel rechtssysteem geldig is?", zegt In 't Veld. "Dat probleem is substantieel, omdat de meeste grote bedrijven juist vanuit de Verenigde Staten opereren." Ze heeft goede hoop dat er nog dit jaar een akkoord tussen EU en de Verenigde Staten over deze materie wordt gesloten.