Aanleiding voor het onderzoek van het congres naar de aanwezigheid van kinderporno op diensten als Kazaa was een alarmerend rapport van het General Accounting Office (GAO), de Amerikaanse rekenkamer. Hieruit zou blijken dat veel bestanden op het Kazaa-netwerk kinderpornografisch materiaal bevatten. Exacte cijfers over de hoeveelheid kinderporno op p2p-diensten geeft de rekenkamer niet. Wel stelt het dat internet zich ontwikkeld heeft tot het belangrijkste distributiekanaal voor kinderpornografisch materiaal. Vertegenwoordigers van de belangrijkste p2p-diensten hebben tegenover de onderzoekscommissie van het congres aangegeven dat ze graag willen meewerken aan het bestrijden van ongewenst materiaal op hun netwerken. Tegelijk stellen ze evenwel dat de verantwoordelijkheid bij de gebruikers ligt.

Beperkingen

Alan Morris van Kazaa-uitbater Sharman Networks wijst op het feit dat Kazaa geen inzicht heeft op de bestanden die worden uitgewisseld. "Er is geen technische oplossing om dat te doen. Het is alsof je Microsoft vraagt om de inhoud van de e-mails van mensen te bekijken." Morris denkt meer aan een situatie waarbij gebruikers elkaar waarschuwen. Ook willen bedrijven als Kazaa een zogenoemd Parent-to-parent Resource Center oprichten. Dit centrum moet ouders tips geven hoe ze zichzelf en hun kinderen kunnen beschermen tegen kinderporno. Ook Kazaa-vijand RIAA heeft zich in het debat geroerd. RIAA-president Cary Sherman vertelde de onderzoekscommissie dat Kazaa een vrijhaven is voor (kinder)porno. Alan Morris heeft daar geen goed woord voor over en beschrijft de woorden van Sherman als een haatcampagne tegen p2p-technologie nadat eerdere pogingen van de RIAA om de uitwisseldiensten via de rechter te verbieden, mislukten. Niet alleen in Amerika wordt peer-to-peer momenteel tegen het licht gehouden. Ook de Europese Commissie overweegt een onderzoek naar onder meer p2p.