De Verenigde Naties schetst de problematiek in een studie, die in totaal bijna 300 bladzijden telt. Het daarin geconstateerde grootste struikelblok is dat (forensische) bewijzen van internationale cybercrime niet of te laat kunnen worden verkregen door de opsporingsdiensten die zich met een dergelijke zaak bezighouden. Dit simpelweg omdat er nog een gebrek aan internationale coördinatie is in de bestrijding van cybercrime, dat nationale wetten soms in de weg staan van internationale samenwerking, en dat over de gehele wereld wordt vastgehouden aan nationale soevereiniteit.

Ook 'oude' misdaad meenemen

Nieuwe (juridische) maatregelen moeten wel rekening houden met de bestaande wetten op de internationale mensenrechten in relatie met de vrijheid tot meningsuiting. Wel dienen 'oude' criminele activiteiten waarbij toevallig gebruik wordt gemaakt van computers worden meegenomen als bestaande wetten en opsporingsmogelijkheden die dergelijke criminaliteit moeten tegengaan, nu tekort schieten.

In de opsporing moeten meer mogelijkheden komen om elektronisch bewijs veilig te stellen, zeker als die in andere landen staat dan waar het onderzoek in eerste instantie is gestart. Maar ook hier moet onder meer het recht op privacy worden gerespecteerd, vindt de VN. Binnen internationale afspraken moeten conflicterende wetten en jurisdicties hierover worden opgelost.

Eerder en sneller data in buitenland 'vangen'

Waar nodig moeten daarin verplichtingen worden opgenomen om de kostbare tijd in dergelijke onderzoeken te verkorten. Dat zou inhouden dat verzoeken van het ene land aan het andere sneller moeten worden ingewilligd. Bewijs in het buitenland kan dan sneller worden veiliggesteld voor opsporingsdoeleinden.