Dit stelt althans Mendel Rosenblum, medeoprichter van Vmware, die donderdag op de Linuxworld Conference & Expo in San Francisco een toespraak hield.

Een gevirtualiseerde applicatie bevat naast de applicatie zelf ook de benodigde code uit het besturingssysteem om de software te kunnen draaien. De bundel kan vervolgens op een gevirtualiseerde server worden gezet, ongeacht het host-besturingssysteem.

Zogenoemde hypervisors, zoals die van Vmware, scheiden de serverhardware van het besturingssysteem en de rest van de softwarestack.

Doordat de hypervisor meerdere logische servers creëert op een fysieke server, kunnen er meerdere applicaties tegelijk worden gedraaid op die server. De capaciteit van de server wordt hierdoor efficiënter benut.

De virtualisatiespecialist van Vmware ziet virtuele applicaties als een andere manier om het ontwikkelproces voor software te vereenvoudigen door simpelweg de delen uit besturingssysteem te nemen die nodig zijn om de applicatie te draaien.

"Alle fabrikanten van besturingssystemen willen de hardwareconnectie claimen, maar ik zie dat er een grote strijd gaande is over wie de controle over de hardware krijgt", aldus Rosenblum, die dan ook van mening is dat er maar een oplossing is: een hypervisor.

Rosenblum stelde dat Linux zich goed leent voor virtuele applicaties. Deze opmerking ontlokte een reactie van Mike Grandinetti, marketingdirecteur van Virtual Iron.

Volgens de kleine virtualisatiefabrikant wordt Vmware vooral gebruikt in Windows-omgevingen. Grandinetti stelde dan ook dat Rosenblum ten aanzien van Linux een 'aangepaste visie op de geschiedenis' heeft.

Volgens Grandinetti zijn hun producten gebaseerd op de Xen-kernel, waardoor deze veel goedkoper zijn dan de producten van Vmware. Bron: Techworld